BRS.26.003431
ECLI:NL:RVS:2026:4927
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, van 1 juli 2026 in zaak nr. NL26.34427 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 1 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, betrokkene een schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De enige grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 een kennisgeving gelijk wordt gesteld met een beroep dat is ingesteld door de betrokken vreemdeling. De rechtbank heeft daarom de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934,00, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,00 en een wegingsfactor 1. Volgens de minister is dat niet juist.
1.1. De minister voert aan dat de proceshandeling van het instellen van beroep niet is verricht door de advocaat, maar door hem als bestuursorgaan. Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, waarin een kennisgeving met een beroep van de betrokken vreemdeling wordt gelijkgesteld, doet er niet aan af dat het bij de kennisgeving niet gaat om een proceshandeling die namens een vreemdeling door een ingeschakelde rechtshulpverlener beroepsmatig is verricht. Het Bpb biedt dan geen grondslag om daarvoor 1 punt proceskostenvergoeding toe te kennen. Er bestond volgens de minister dan ook geen aanleiding om hem in de kosten te veroordelen van een proceshandeling die door hem zelf is verricht. De minister heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, onder 12.1. Daarin is geoordeeld dat voor een kennisgeving geen punt kan worden toegekend. In die zaak had de advocaat zelf geen beroep ingesteld of schriftelijk beroepsgronden naar voren gebracht. In zoverre waren er geen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
1.2. De Afdeling ziet zich in dit hoger beroep gesteld voor de vraag of de wijziging van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 per 12 juni 2026 aanleiding geeft om anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 februari 2024 over het recht op een vergoeding van proceskosten als, zoals ook in deze zaak, de rechtsingang een kennisgeving is.
Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat geldt vanaf die datum. De minister heeft er daarbij op gewezen - en de Afdeling is daarmee ook ambtshalve bekend - dat sinds deze wijziging de zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag verschillend oordelen over de opgeworpen vraag, zodat beantwoording ervan ook uit het oogpunt van rechtseenheid van belang is.
1.3. De Afdeling stelt voorop dat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 zowel vóór 12 juni 2026 als sinds die datum staat dat de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen. Het verschil is dat vóór 12 juni 2026 de minister de rechtbank pas in kennis moest stellen van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als de vreemdeling zelf geen beroep had ingesteld en dat uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van het besluit. Sinds 12 juni 2026 moet de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, de rechtbank hiervan in kennis stellen. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van het huidige artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 85, 247 en 248), vloeit dit voort uit de bewuste keuze van de wetgever voor ambtshalve toetsing van een vrijheidsontnemende maatregel door de rechter binnen een korte termijn. De mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, wilde de wetgever niet langer openhouden. Daarbij is vermeld dat dit onverlet laat dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld. Verder heeft de wetgever de kosteloze rechtsbijstand door een advocaat bij besluiten over het recht op opvang en over vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregelen gehandhaafd (Kamerstukken II 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 86).
1.4. De Afdeling acht het een essentieel en doorslaggevend verschil in de situatie vóór en na 12 juni 2026 dat naar de bedoeling van de wetgever een professionele rechtsbijstandverlener niet meer de mogelijkheid heeft om zelf een beroepschrift in te dienen. Het pro forma beroepschrift, zoals dat voorheen in het algemeen werd ingediend, is vervangen door de kennisgeving. De inhoudelijke werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener daarna moet verrichten zijn echter niet gewijzigd. Hij zal nog altijd gronden naar voren moeten brengen bij de rechter. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever heeft stilgestaan bij de gevolgen voor de proceskostenvergoeding van de gemaakte keuze om tegen een vrijheidsontnemende maatregel uitsluitend nog beroep aanhangig te maken met een kennisgeving. Naar het oordeel van de Afdeling past het echter binnen de gekozen systematiek om de wettelijk voorgeschreven kennisgeving te zien als het pro forma beroepschrift en dat toe te rekenen aan de gemachtigde die vervolgens in beroep rechtsbijstand verleent en de vreemdeling inhoudelijk bijstaat. Daarbij betrekt de Afdeling uitdrukkelijk dat het bij vreemdelingenbewaring gaat om vrijheidsontneming, waarbij de wetgever met de kennisgeving effectieve rechtsbescherming wil bieden. Adequate rechtsbijstand door de ingeschakelde professionele rechtsbijstandverlener is ermee gediend als voor de juridische werkzaamheden die deze verricht nadat het beroep met een kennisgeving is ingesteld en voordat een zitting is gehouden, een proceskostenvergoeding kan worden toegekend als het beroep gegrond is.
Voor de toepassing van het Bpb moet een kennisgeving als bedoeld in het huidige artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 dus geacht worden een handeling te zijn van degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daarom kan daarvoor bij een gegrond beroep een punt worden toegekend. Volledigheidshalve merkt de Afdeling daarbij het volgende op. Het blijft uiteraard mogelijk om na de kennisgeving en voordat de mondelinge behandeling op de zitting plaatsvindt schriftelijk beroepsgronden in te dienen, wat veelal een efficiënte procesvoering ten goede zal komen. Omdat de kennisgeving wordt aangemerkt als pro forma beroepschrift, kan voor de gronden van beroep geen afzonderlijk punt worden toegekend. Daarvoor biedt het Bpb geen grondslag. In zoverre ligt het bij een kennisgeving nu anders dan in de situatie vóór 12 juni 2026, waar voor een kennisgeving geen punt kon worden toegekend maar voor de schriftelijke beroepsgronden wel.
1.5. Uit dit alles volgt dat de grief niet slaagt.
2. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep niet een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, maar een wegingsfactor gemiddeld (factor 1). Hoewel het hoger beroep gaat over de proceskostenveroordeling, is het niet van eenvoudige aard omdat in deze zaak de verhouding tussen oud en nieuw recht aan de orde is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, mr. J.H. van Breda en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026
18