202304680/1/R1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juni 2023 in zaak nr. 22/3117 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college [appellant] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het adres [locatie] in Badhoevedorp uiterlijk op 1 december 2021 te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom.
Bij besluit van 17 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 2 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Hoogewerf, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De last onder dwangsom betreft de bouw en bewoning van een aanbouw achter de woning.
De moeder van [appellant] heeft per brief van 17 augustus 2021, door het college ontvangen op 20 augustus 2021, namens [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 1 juni 2021. Het college heeft zich in het besluit van 17 mei 2022 op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Beroepsgronden in hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het overschrijden van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Volgens hem is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. [appellant] voert aan dat hij als gevolg van een zeer ernstig motorongeluk op 30 mei 2021 lange tijd niet, althans zeer gebrekkig kon lezen en schrijven en dat het ongeluk grote impact op hem heeft gehad. Daarom was hij niet in staat om tijdig bezwaar te maken. Het ongeluk heeft ook een grote impact gehad op zijn ouders, die hij na het ongeluk heeft gemachtigd om bepaalde zaken voor hem te regelen. [appellant] wijst in dit kader op het rapport "Weten is nog geen doen" van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
2.1. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht luidt:
"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."
2.2. De termijn voor het maken van bezwaar is op 2 juni 2021 aangevangen en op 13 juli 2021 geëindigd. Niet in geschil is dat het namens [appellant] ingediende bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn en daarmee te laat is ingediend. Ter beoordeling ligt voor of het college van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar had moeten afzien omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.
2.3. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.
Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
2.4. Het college heeft op 21 december 2020 een voornemen tot handhavend optreden aan [appellant] verzonden. [appellant] heeft op 4 mei 2021 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft het college op 1 juni 2021 een last onder dwangsom opgelegd.
Vast staat dat [appellant] op 30 mei 2021 een motorongeluk heeft gehad en dat hij daarvan lange tijd heeft moeten revalideren. [appellant] is op 10 juni 2021 ontslagen uit het ziekenhuis en verbleef daarna bij zijn ouders. Vast staat ook dat [appellant] zijn ouders gedurende deze periode na het ongeluk had gemachtigd om namens hem op te treden. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] heeft aangegeven dat zijn vader regelmatig zijn post uit zijn huis heeft opgehaald, maar deze niet heeft geopend, omdat hij het, zoals zijn vader op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard, niet juist vond aan zijn zoon gerichte post open te maken en te lezen, terwijl [appellant] toen niet goed in staat was zijn post zelf te openen en te lezen. Dit laatste is door [appellant] niet bestreden.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het niet meteen openen van post en daar niet tijdig op reageren voor rekening van [appellant] komt. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen waren de ouders bekend met de ernstige fysieke beperkingen van [appellant] als gevolg van het ongeluk en was hij na het verblijf in het ziekenhuis bij hen thuis aan het revalideren. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat de ouders van [appellant] wel met hem konden communiceren en zij dus ook konden overleggen over het openen van (belangrijke) post. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat [appellant] en zijn ouders, zoals ook door zijn vader op de zitting bij de rechtbank is bevestigd, er van op de hoogte waren dat het college voornemens was te gaan handhaven. De Afdeling neemt ook in aanmerking dat het college, zoals het op de zitting heeft toegelicht, [appellant] heeft uitgenodigd voor een hoorzitting onder meer om een toelichting te geven over de termijnoverschrijding maar dat namens [appellant] niemand is verschenen. Dat die uitnodiging zoals [appellant] stelt niet naar het juiste postadres is verstuurd omdat zijn ouders zijn verhuisd, neemt, wat daar verder van zij, niet weg dat de uitnodiging ook naar het emailadres van de moeder van [appellant] is verstuurd en niet is bestreden dat die e-mail is ontvangen.
Voor zover door [appellant] is gewezen op het rapport van de WRR, wordt overwogen dat de impact van een ongeluk zoals [appellant] heeft meegemaakt niet in geschil is. Dat neemt echter niet weg dat de omstandigheden van dit geval maken dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar kan worden geacht.
Gelet op het voorgaande is in dit geval onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan [appellant] kan worden toegerekend.
Het betoog slaagt niet.
3. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellant] geen bespreking meer.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
580