BRS.26.002307
ECLI:NL:RVS:2026:4929
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2026 in zaak nr. 26/1114 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Op 25 juni 2025 heeft het COA appellant aangezegd dat het zijn weigering de aangeboden woning te aanvaarden onterecht acht en dat zijn verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 van rechtswege eindigen indien hij de woning niet binnen 24 uur accepteert.
Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft het COA het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van de Afdeling van 28 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5528, onder 2.4.1, en 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:925, onder 2.2 en 2.3, over de vraag of een aanzegging van het COA naar aanleiding van een woningweigering door een vreemdeling op een rechtsgevolg is gericht). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COA hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026
941-1151