BRS.26.002977
ECLI:NL:RVS:2026:4935
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL26.29814 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De maatregel van bewaring bevat weliswaar een gebrek, omdat hierin niet expliciet staat dat deze is opgelegd namens de minister. Dat moet wel volgens artikel 10:10 van de Awb. Dit betekent echter niet dat de maatregel onrechtmatig is. In de maatregel worden immers artikel 59a van de Vw 2000 en artikel 5.3 van het Vb 2000 aangehaald. Uit deze artikelen volgt onmiskenbaar dat de maatregel is opgelegd namens de minister. De Afdeling wijst ook op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4185, onder 2.3. Omdat appellant niet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad door dit gebrek en in zijn geval onweersproken een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, valt de belangenafweging in zijn nadeel uit.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
644