BRS.26.003128
ECLI:NL:RVS:2026:4940
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 juni 2026 in zaak nr. NL24.376
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen inzicht heeft gegeven in wat het marktaandeel van zijn concurrenten is. Dit vereiste volgt namelijk niet uit bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000, waarin expliciet is opgesomd welke stukken en gegevens een Turkse vreemdeling moet overleggen, en welke feitelijke informatie deze moeten bevatten, om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet. De uitspraak van de Afdeling van 29 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3925, onder 3.1, moet dan ook zo worden gelezen dat in het ondernemingsplan het marktaandeel van de aanvrager moet worden bezien en niet het marktaandeel van de concurrenten. De eis over het geven van inzicht in het marktaandeel van de concurrenten wordt ook niet in bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 gesteld en heeft de minister in dit geval in zijn besluiten ook niet gesteld.
1.1. In de overweging van de rechtbank over het marktaandeel van de concurrenten ziet de Afdeling echter geen aanleiding om de uitspraak te vernietigen. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aan het documentatievereiste voldoet, omdat in het ondernemingsplan van appellant een op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse ontbreekt. Anders dan appellant betoogt, is het vereiste van een volledig onderbouwd ondernemingsplan niet in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3376, onder 4.3 en 4.5.
1.2. Wat appellant verder in zijn grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat dit geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.3. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012 volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.J.W.P van Gastel, en mr. V.V. Essenberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
1058