BRS.26.001750 en BRS.26.004236
ECLI:NL:RVS:2026:4941
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL25.48887 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2025 heeft de minister de aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellanten er bij brief van 8 april 2026 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moeten betalen. Hen is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 22 april 2026 te voldoen. Omdat appellanten dit niet hebben gedaan, heeft de griffier hen bij brief van 23 april 2026 laten weten dat het griffierecht uiterlijk 7 mei 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellanten hebben, nadat de griffier hen daartoe bij brief van 4 juni 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, bij brief van 17 juni 2026 verzocht om alsnog de gelegenheid te krijgen om het griffierecht te voldoen, omdat eerdere brieven van de Afdeling over het griffierecht niet waren ontvangen. In de brief van 14 juli 2026 heeft de griffier een eenmalige nadere termijn tot en met uiterlijk 28 juli 2026 gegeven voor het betalen van het griffierecht. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
979