ECLI:NL:RVS:2026:495

ECLI:NL:RVS:2026:495

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 202405116/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 22 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam ten behoeve van het bestemmingsplan "Mallegat" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Mallegat" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een woontoren (Mallegatplot) met een hoogte van 76 m en maximaal 193 appartementen aan de Persoonshaven in de wijk Feijenoord in Rotterdam. Ten noorden van het plangebied ligt verzorgingshuis De Steenplaat en ten zuiden ervan het Mallegatpark. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de rivier de Nieuwe Maas, en aan de westzijde van het plangebied staan woningen aan de Persoonshaven. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 1] in Rotterdam, op een afstand van ongeveer 70 m tot het plangebied. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2] in Rotterdam op ongeveer 1,1 km tot het plangebied. [appellant sub 3] heeft een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen dat de voorziene ontwikkeling leidt tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat.

Uitspraak

202405116/1/R3.

Datum uitspraak: 28 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Bewonersvereniging Wijk Feijenoord in oprichting en anderen (hierna: de bewonersvereniging en anderen), gevestigd respectievelijk wonend in Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend in Rotterdam,

3. [appellant sub 3], wonend in Rotterdam,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Rotterdam,

2. het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2024 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Mallegat" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld.

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Mallegat" vastgesteld.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

Tegen het besluit van 11 juli 2024 hebben [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de bewonersvereniging en anderen beroep ingesteld. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben ook beroep ingesteld tegen het hogere waarden-besluit van 22 maart 2024 (hierna: besluit hogere waarden).

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

OCRT C.V., OCRT Beheer B.V. en Stichting Gebiedsontwikkeling aan de Maas (hierna: OCRT C.V. en anderen), de bewonersvereniging en anderen en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar zijn verschenen:

- [appellant sub 3], zowel in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de bewonersvereniging en anderen en gemachtigde van [appellant sub 2] als voor zichzelf;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert en mr. M. Himbaza-Zee;

- het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij.

Verder zijn op de zitting OCRT C.V. en anderen, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma en mr. A. Durmus, beiden advocaat in Den Haag, en door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Intrekking beroep besluit hogere waarden

1. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben op de zitting hun beroep gericht tegen het besluit hogere waarden ingetrokken. Dit betekent dat de Afdeling in deze uitspraak niet ingaat op dat besluit.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 1 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro en de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

3. Het plan voorziet in de bouw van een woontoren (Mallegatplot) met een hoogte van 76 m en maximaal 193 appartementen aan de Persoonshaven in de wijk Feijenoord in Rotterdam. Ten noorden van het plangebied ligt verzorgingshuis De Steenplaat en ten zuiden ervan het Mallegatpark. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de rivier de Nieuwe Maas, en aan de westzijde van het plangebied staan woningen aan de Persoonshaven.

4. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 1] in Rotterdam, op een afstand van ongeveer 70 m tot het plangebied. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2] in Rotterdam op ongeveer 1,1 km tot het plangebied. [appellant sub 3] heeft een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen dat de voorziene ontwikkeling leidt tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat.

5. Daarnaast is door de bewonersvereniging gezamenlijk met een aantal natuurlijke personen beroep ingesteld. De natuurlijke personen namens wie beroep is ingesteld wonen in de directe nabijheid van het plangebied. Volgens de bewonersvereniging en anderen heeft de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de bewoners van de wijk Feijenoord.

Het bestemmingsplan

Ontvankelijkheid beroep bewonersvereniging en anderen

6. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de bewonersvereniging en anderen, voor zover het is ingediend door de bewonersvereniging, niet-ontvankelijk is. Volgens de raad is de bewonersvereniging geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat de bewonersvereniging pas na afloop van de beroepstermijn is opgericht. De bewonersvereniging kan volgens de raad evenmin als informele vereniging worden aangemerkt, omdat niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende vereisten.

6.1. De Afdeling stelt vast dat de bewonersvereniging en anderen geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Dat laat onverlet dat als de bewonersvereniging en anderen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, zij wel ontvankelijk beroep kunnen instellen tegen het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraken van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, waarin de Afdeling is ingegaan op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb.

6.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Hieruit volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

6.3. De Afdeling stelt vast dat de bewonersvereniging ten tijde van het verstrijken van de beroepstermijn nog niet bij notariële akte was opgericht. Van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid was dus binnen de beroepstermijn geen sprake.

De Afdeling ziet zich daarom gesteld voor de vraag of voor het einde van de beroepstermijn wel sprake was van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek. Het belang moet immers bestaan binnen de beroepstermijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 3 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0412.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de bewonersvereniging ook niet worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Daartoe overweegt de Afdeling dat op de zitting is vastgesteld en ook door [appellant sub 3] is erkend dat er geen ledenbestand is en dat de bewonersvereniging geen organisatie is die als eenheid deelnam aan het rechtsverkeer.

De bewonersvereniging voldoet daarmee niet aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6406, genoemde cumulatieve vereisten waaraan moet zijn voldaan om te concluderen dat sprake is van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. De bewonersvereniging is daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van Awb. Het beroep van de bewonersvereniging en anderen, voor zover dat is ingediend door de bewonersvereniging, is daarom niet-ontvankelijk.

6.4. Hoewel de bewonersvereniging geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, zijn [belanghebbende A] en de andere natuurlijke personen (hierna: [belanghebbende A] en anderen) door wie het beroep mede is ingediend, dat wel. Dat betwist de raad ook niet. Dit betekent dat de Afdeling de beroepsgronden die [belanghebbende A] en anderen hebben ingediend inhoudelijk zal behandelen. Hierna wordt dat beroep daarom verder aangeduid als het beroep van [belanghebbende A] en anderen.

Ingetrokken beroepsgronden

7. Op de zitting hebben [belanghebbende A] en anderen de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op hittestress, planschade en overlast door bouwwerkzaamheden. Ook [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben de beroepsgrond over overlast door bouwwerkzaamheden op de zitting ingetrokken.

Toetsingskader

8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

9. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Relativiteit en beroep [appellant sub 3]

10. De Afdeling wijst erop dat in artikel 8:69a van de Awb het zogenoemde relativiteitsvereiste is opgenomen. In dit artikel is bepaald dat de Afdeling een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

10.1. In deze uitspraak zal de Afdeling bij de bespreking van de verschillende beroepsgronden, indien nodig ingaan op het relativiteitsvereiste. Daarbij merkt de Afdeling op dat indien zij bij de bespreking van een beroepsgrond niet ingaat op het relativiteitsvereiste, dat niet hoeft te betekenen dat het relativiteitsvereiste niet aan de desbetreffende appellant(en) kan worden tegengeworpen. Dit betekent uitsluitend dat de Afdeling in het kader van die beroepsgrond geen aanleiding ziet nader op het relativiteitsvereiste in te gaan, bijvoorbeeld omdat die beroepsgrond niet slaagt.

10.2. Voorafgaand aan de bespreking van de beroepsgronden ziet de Afdeling aanleiding specifiek in te gaan op de belangen waarvoor [appellant sub 3] in beroep opkomt. Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, woont [appellant sub 3] op ongeveer 1,1 km van het plangebied. Die afstand is te groot om te kunnen concluderen dat het bestemmingsplan gevolgen heeft voor de woon- en leefomgeving van [appellant sub 3]. De toelichting van [appellant sub 3] op de zitting dat hij opkomt voor de belangen van de bewoners van de wijk Feijenoord, betekent niet dat de normen waarop [appellant sub 3] zich in deze procedure beroept strekken ter bescherming van zijn eigen belang, dat is gericht op een bescherming van zijn woon- en leefklimaat. Daarvoor is de afstand van 1,1 km tot het plangebied, als gezegd, te groot. Gelet hierop staat het relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege een aantal door [appellant sub 3] aangevoerde gronden. Dat ligt alleen anders voor de beroepsgronden van [appellant sub 3] over de gevolgde procedure en de begrenzing van het bestemmingsplan. De Afdeling zal alleen deze beroepsgronden van [appellant sub 3] daarom inhoudelijk bespreken.

Procedure

11. [appellant sub 3] en [belanghebbende A] en anderen betogen dat omwonenden onvoldoende zijn geïnformeerd bij de totstandkoming van het bestemmingsplan.

11.1. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 11 juli 2024 is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet gebleken is dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. In overeenstemming met de procedure zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Van die mogelijkheid heeft, voor zover het de beroepen van [appellant sub 3] en [belanghebbende A] en anderen betreft, alleen [appellant sub 3] gebruik gemaakt. De Afdeling begrijpt dat [appellant sub 3] en [belanghebbende A] en anderen in een eerder stadium over de plannen op het perceel geïnformeerd hadden willen worden. Daartoe bestaat echter op grond van de Wro of het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geen verplichting. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid. Overigens hebben er in november 2022 en november 2023 informatieavonden plaatsgevonden.

Het betoog slaagt niet.

Plangrens

12. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [belanghebbende A] en anderen zijn het niet eens met de begrenzing van het plan. Zij stellen dat de raad één integraal bestemmingsplan had moeten vaststellen voor alle ontwikkelingen in het gebied "Feyenoord City", waarbij de verschillende ontwikkelingen in samenhang kunnen worden bezien. Volgens [belanghebbende A] en anderen hebben de bewoners van de wijk Feijenoord daarnaast door de gekozen plangrens te weinig invloed op het ruimtelijke beleid voor de wijk als geheel. Daarom had de Mallegatplot onderdeel moeten uitmaken van een bestemmingsplan voor de gehele wijk "Feijenoord".

12.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In wat appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient.

De Afdeling acht daarbij van belang dat geen sprake is van zodanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden binnen en buiten het plangebied, dat geen sprake meer zou zijn van een goede ruimtelijke ordening door die gronden niet in één bestemmingsplan op te nemen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het bestemmingsplan "Feijenoord" zich voornamelijk richt op een actualisatie van verouderde plannen. Ook omvat het plangebied van het bestemmingsplan "Feijenoord" slechts een beperkt deel van het stadsdeel Feijenoord. Het voorliggende plan betreft een zelfstandige ruimtelijke herontwikkeling: de woontoren.

De Afdeling betrekt bij haar oordeel over de planbegrenzing ook dat de raad heeft toegelicht dat de ontwikkeling van het Mallegatplot weliswaar onderdeel uitmaakt van de verdere ontwikkeling van het gebied "Feyenoord City", maar dat hij de ontwikkeling van het Mallegatplot als een op zichzelf staande ontwikkeling ziet die uit planologisch oogpunt losstaat van de overige onderdelen van de gebiedsontwikkeling.

Het betoog slaagt niet.

Behoefte aan de voorziene woningen

13. [belanghebbende A] en anderen betogen dat de raad ten onrechte de bouw van 193 woningen in het middeldure en dure segment mogelijk maakt, terwijl een behoefte aan dit type woningen bij de huidige wijkbewoners ontbreekt. Zij wijzen erop dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met het "Geactualiseerd Regioakkoord 2022: Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam" (hierna: het Regioakkoord 2022) en het "Uitvoeringsplan 2023-2027" (hierna: het Uitvoeringsplan) van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Daarin is vermeld dat nieuwbouwwoningen voor 40% moeten bestaan uit sociale huurwoningen en dat dit plan daar niet aan bijdraagt.

13.1. De Afdeling stelt voorop dat in paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting weliswaar staat dat het programma voorziet in woningen in het middeldure tot dure segment, maar dat dit niet in de planregels is voorgeschreven. Het bestemmingsplan staat er dus niet aan in de weg dat alleen of grotendeels woningen in het lagere prijssegment worden gerealiseerd, waaraan volgens [belanghebbende A] en anderen behoefte bestaat. De keerzijde is dat het bestemmingsplan er ook niet aan in de weg staat dat woningen worden gerealiseerd in het middeldure en dure segment, maar de opvatting van [belanghebbende A] en anderen dat aan dit type woningen in de wijk Feijenoord geen behoefte bestaat, deelt de Afdeling niet. Hierbij acht de Afdeling het volgende van belang.

13.2. In paragraaf 4.1.3 van de plantoelichting staat dat behoefte bestaat aan woningen in het middensegment. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de raad onder meer op het Regioakkoord 2022. Dit is gericht op de realisatie van voldoende woningen in de sociale en middeldure voorraad in de regio. Verder is daarin vermeld dat de regio een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad realiseert. In het Regioakkoord 2022 staat dat in de periode 2021 tot en met 2030 behoefte is aan 38.940 woningen in Rotterdam, waarvan 14.920 in het middensegment. Met de beoogde ontwikkeling wordt dus rekening gehouden met de vraag naar woningen in het middeldure segment, aldus de raad.

Daarnaast is in de plantoelichting en de nota van zienswijzen toegelicht dat de bestaande woningvoorraad in Rotterdam voor 69% bestaat uit sociale woningen en voor 31% uit middeldure woningen. De beoogde ontwikkeling draagt volgens de raad bij aan een betere balans van het woningaanbod in Rotterdam omdat er in de wijk Feijenoord al veel sociale woningen zijn. Verder bestaat er volgens de raad een sterk stijgende vraag naar woningen in het middensegment, waardoor mensen met hogere inkomens kunnen doorstromen. Op de zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat, hoewel in het Uitvoeringsplan staat dat gestreefd wordt naar 30% sociale woningvoorraad in iedere gemeente, de meest stedelijke focusgebieden daarvan worden uitgezonderd en dat voor deze gebieden juist wordt gekeken naar mogelijkheden om woningen toe te voegen voor middeninkomens. De ontwikkeling van het Mallegatplot zoals met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, draagt hier volgens de raad aan bij omdat dit in een stedelijk focusgebied ligt.

13.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [belanghebbende A] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat met de in het plan mogelijk gemaakte woningbouw wordt voorzien in een behoefte.

Het betoog slaagt niet.

Stedenbouwkundige inpassing

14. [belanghebbende A] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in het plan toegestane maximale bouwhoogte van 76 m. Volgens hen is die niet passend in een omgeving waar voornamelijk lagere bebouwing voorkomt. Daarbij wijzen zij erop dat de vergelijking met woontoren "Roseplot" niet opgaat, aangezien deze woontoren deel uitmaakt van een groter gebouw bestaande uit laag- en hoogbouw, terwijl dit bij het Mallegatplot niet het geval is.

14.1. De raad heeft toegelicht dat er vanuit stedenbouwkundige optiek voor is gekozen om een hoogteaccent aan te brengen bij de entree van de wijk Feijenoord. Daarnaast legt de voorziene woontoren een stedenbouwkundige verbinding tussen deze wijk en de nieuwe ontwikkelingen binnen het gebied "Feyenoord City". Op de zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat de stedenbouwkundige inpassing van de woontoren in overeenstemming is met het herziene Masterplan voor dat gebied uit 2024.

14.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee toereikend gemotiveerd waarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt is gekozen voor de in het plan opgenomen maximaal toegestane bouwhoogte. Hoewel die bouwhoogte afwijkt van wat veelal in de directe omgeving van het plangebied is toegestaan, is deze bouwhoogte in stedelijk gebied niet onaanvaardbaar en heeft de raad deze bouwhoogte op deze plek vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook aanvaardbaar mogen achten, omdat bedoeld is hiermee een hoogteaccent aan te brengen. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat er in de omgeving meerdere hogere gebouwen zijn of komen, waarvan de voorziene toren er één is. Dat voor de bebouwing op de hoek van de 2e Rosestraat en de Laan op Zuid een andere stedenbouwkundige keuze is gemaakt door laag- en hoogbouw te combineren, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat daar ook hogere bebouwing deel van uitmaakt. Het betoog slaagt niet.

Of de ruimtelijke gevolgen van de toegelaten bouwhoogte ook aanvaardbaar zijn, wordt aan de hand van de specifieke beroepsgronden over die gevolgen hierna besproken.

Bezonning

15. [appellant sub 2] en [belanghebbende A] en anderen betogen dat 17 woningen van verzorgingshuis De Steenplaat ten onrechte minder dan twee uur zonlicht per dag ontvangen na realisatie van de woontoren. Deze achteruitgang in zonlicht gaat ten koste van de gezondheid van die bewoners. Dit vinden [belanghebbende A] en anderen onacceptabel. Bovendien heeft de raad ten onrechte het belang bij de realisatie van de woontoren zwaarder laten wegen dan het belang van de bewoners bij het behoud van voldoende zonlichttoetreding.

[belanghebbende A] en anderen betogen daarnaast dat sprake zal zijn van een onaanvaardbare vermindering van zonuren bij hun woningen als gevolg van de vaststelling van het plan.

15.1. Voor zover [appellant sub 2] en [belanghebbende A] en anderen betogen dat de woontoren leidt tot een verslechtering van de bezonning bij de woningen in verzorgingshuis De Steenplaat, overweegt de Afdeling dat in artikel 8:69a van de Awb besloten ligt dat degene die vernietiging van een besluit beoogt, zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. De Afdeling wijst in dat verband op haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10. De Afdeling bespreekt het betoog van [appellant sub 2] en [belanghebbende A] en anderen over de bezonning van de woningen in verzorgingshuis De Steenplaat dan ook niet inhoudelijk, omdat dit niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

15.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515 en van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:279) bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een perceel. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarop schaduwhinder een negatieve invloed kan hebben.

15.3. De raad heeft hiervoor beleid opgesteld en dat neergelegd in het beleidsdocument "Afwegingskader bezonning", vastgesteld bij besluit van 9 september 2021. Het afwegingskader bevat drie stappen:

"Stap 1

In een eerste stap wordt bekeken of de toetspunten in de omgeving van de nieuwbouw op 21 september in de oorspronkelijke situatie (dus zonder de nieuwbouw) minimaal 2 uur zon hebben. Wanneer alle toetspunten op 21 september minimaal 2 uren zon op de gevels blijven houden na realisatie van het voorgestelde bouwplan, voldoet het bouwplan. Er hoeven dan geen aanvullende onderzoeken t.a.v. bezonning te worden gedaan.

[…]

Stap 2

Indien er toetspunten zijn die niet voldoen aan de bovenstaande eis t.a.v. bezonning, moet er nader onderzoek gedaan worden met meer specialistische berekeningen. Zijn er toetspunten na realisatie van het nieuwbouwplan die minder dan 2 uur zon op de gevels krijgen (gevels bij elkaar opgeteld) kan een nieuwbouwplan toch gerealiseerd worden als het een afname van minder dan 15% afname van de bezonningsduur betreft ten opzichte van de bestaande situatie.

[…]

Stap 3

Is de bezonningsafname groter dan 15% ten opzichte van de bestaande situatie wordt er een afweging gemaakt of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van bezonning van bestaande woningen. Daarbij moet deze afname afgewogen worden tegen de belangen van de nieuwbouw. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een ‘verdichtingsafweging’ en een 'typologische afweging'."

15.4. Bij de voorbereiding van het plan is getoetst aan het afwegingskader. De resultaten van deze toetsing zijn neergelegd in het op 26 februari 2024 opgestelde document "Woontoren Mallegat te Rotterdam: Bezonningsonderzoek Mallegat aangepast ontwerp" (hierna: de bezonningsstudie). In de bezonningsstudie staat dat alle woningen binnen een cirkel van 228 meter rond de voorziene woontoren in de analyse zijn opgenomen. Hieronder vallen de woningen van [belanghebbende A] en anderen. In figuur 3.3 van de bezonningsstudie staat wat het aantal zonuren is in de bestaande situatie. Daarop is met zwarte cirkels een aantal plekken aangeduid waar in de bestaande situatie minder dan 2 uur bezonning is. Het betreft meestal binnenhoeken van bouwblokken. In figuur 3.4a van de bezonningsstudie staat wat het aantal zonuren is als de maximale bouwmogelijkheden van het plan worden benut. Daaruit kan worden afgeleid dat er voor de woningen aan de Persoonshaven 299 en 534, 572, 600 en 630 van [belanghebbende A] en anderen niets verandert ten opzichte van de bestaande situatie (zwarte cirkel). Bij de woningen aan de Persoonshaven 273 en 281 van appellanten is een blauwe cirkel "D" opgenomen. Daarvoor geldt dat er in de nieuwe situatie minder dan 2 uur zonlicht op de gevels valt, maar dat door de tweezijdige oriëntatie deze woningen cumulatief meer dan 2 uur zonlicht ontvangen. Bij de woning aan de Persoonshaven 233 is een blauwe cirkel "E" opgenomen. In de nieuwe situatie valt daar minder dan 2 uur zonlicht op de oostgevel, maar de andere gevelzijde ontvangt meer dan 6 uur zonlicht. Dat betekent dat bij alle woningen van [belanghebbende A] en anderen aan de eerste stap van het afwegingskader wordt voldaan. Gelet hierop mocht de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking op de woningen van [belanghebbende A] en anderen.

Het betoog slaagt niet.

Privacy en uitzicht

16. [belanghebbende A] en anderen betogen dat het plan een onaanvaardbare inbreuk vormt op hun privacy en uitzicht op de rivier de Nieuwe Maas, omdat de woontoren op korte afstand van de omliggende woningen is geprojecteerd. De toekomstige bewoners van het Mallegatplot hebben zicht op balkons en tuinen van omliggende woningen zonder daarbij zelf zichtbaar te zijn, aldus [belanghebbende A] en anderen.

[appellant sub 2] betoogt dat de woontoren van 76 m hoog het uitzicht van de bewoners van verzorgingshuis De Steenplaat ontneemt. Hij wil opkomen voor hun belang.

16.1. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de woontoren het uitzicht van de bewoners van verzorgingshuis De Steenplaat ontneemt, overweegt de Afdeling dat in artikel 8:69a van de Awb besloten ligt dat degene die vernietiging van een besluit beoogt, zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. De Afdeling wijst in dat verband op haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10. De Afdeling bespreekt het betoog van [appellant sub 2] over het uitzicht van de bewoners van het verzorgingshuis dan ook niet inhoudelijk, omdat dit niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

16.2. De Afdeling stelt voorop dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. De kortste afstand tussen de voorziene woontoren en de woningen van [belanghebbende A] en anderen ten westen van het plangebied is ongeveer 28 m. De woningen van [belanghebbende A] en anderen ten noorden van het plangebied liggen op ongeveer 71 m afstand van de voorziene woontoren. Gelet op de situering van de woontoren en de toegestane bouwhoogte van 76 m is het aannemelijk dat het plan enige gevolgen zal hebben voor het uitzicht en de privacy van de omwonenden. Deze gevolgen zijn naar het oordeel van de Afdeling echter niet zo groot dat de raad daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Daarvoor is van belang dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat er door de situering alleen zijdelings zicht is vanuit de voorziene woningen in de woontoren op de woningen van [belanghebbende A] en anderen en andersom, en dat de bouwhoogte van de woontoren niet ongebruikelijk is in een stedelijke omgeving. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen voor het uitzicht en de privacy van [belanghebbende A] en anderen zodanig zijn dat de raad dit plan redelijkerwijs niet heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Mallegatpark

17. Het betoog van [appellant sub 2] en [belanghebbende A] en anderen dat de voorziene ontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor het Mallegatpark is niet nader onderbouwd en slaagt alleen al daarom niet.

Conclusie

18. Het beroep van de bewonersvereniging en anderen, voor zover ingediend door de bewonersvereniging, is niet-ontvankelijk.

19. De beroepen van [belanghebbende A] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

20. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van Bewonersvereniging Wijk Feijenoord in oprichting en anderen, voor zover het is ingediend door Bewonersvereniging Wijk Feijenoord in oprichting, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en Bewonersvereniging Wijk Feijenoord in oprichting en anderen, voor zover het is ingediend door [belanghebbende A] en anderen, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzitter

w.g. Wolvers-Poppelaars

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

780-1091

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…]

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Bestemmingsplan "Mallegat"

Artikel 3.1

De voor 'Gemengd - Mallegat' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen;

[…]

Artikel 3.5.1

De oppervlakte en aantallen van de in lid 3.1 onder a tot en met d genoemde functies bedraagt ten hoogste:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?