ECLI:NL:RVS:2026:4953

ECLI:NL:RVS:2026:4953

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer BRS.25.002453
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 11 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld.

Uitspraak

BRS.25.002453

ECLI:NL:RVS:2026:4953

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 4] en [betrokkene 6],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 november 2025 in zaak nr. NL22.25971 in het geding tussen:

[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 4] en [betrokkene 6],

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld.

Op 19 december 2022 hebben appellanten beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 26 juni 2023 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 11 april 2022 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2025 heeft de rechtbank het beroep van appellanten ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De Afdeling overweegt ambtshalve dat de rechtbank in de beslissing van haar uitspraak alleen heeft vermeld dat het van rechtswege ontstane beroep, gericht tegen het besluit van 26 juni 2023, ongegrond is. Uit de overwegingen van de uitspraak volgt echter ook dat de rechtbank het door appellanten ingestelde beroep niet tijdig niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit laatste niet vermeld in de beslissing van haar uitspraak. De uitspraak van de rechtbank is daarom in zoverre in strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.

2. In de eerste grief klagen appellanten terecht dat de rechtbank de minister voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de minister niet tijdig een besluit op het bezwaar van appellanten heeft genomen, appellanten vervolgens een geldige ingebrekestelling hebben verstuurd en de minister pas na het instellen van een beroep niet tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen. Daarom had de rechtbank de minister vervolgens ook moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep niet tijdig opgekomen proceskosten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:776, onder 3.2. De grief slaagt.

3. De tweede en de derde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen die grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

4. De vierde grief gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5638, onder 5 en 5.1, over hechte persoonlijke banden tussen broers en zussen). Het hoger beroep biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.

4.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij heeft nagelaten om het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk te verklaren en voor zover zij heeft nagelaten om de minister te veroordelen tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep niet tijdig opgekomen proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

6. De minister moet de proceskosten vergoeden. De Afdeling merkt deze zaak, voor zover het geschil gaat over het beroep niet tijdig, aan als ‘licht’. Daarom past zij wegingsfactor 0,5 toe. De minister moet verder het door appellanten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 november 2025 in zaak nr. NL.22.25971, voor zover de rechtbank heeft nagelaten om het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk te verklaren en voor zover zij heeft nagelaten om de minister tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van dit beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;

III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2022 niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 473,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Essenburg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van den Oosterkamp

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

91-1162

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.S. van den Oosterkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand