ECLI:NL:RVS:2026:4959

ECLI:NL:RVS:2026:4959

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer BRS.25.002443
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.25.002443

ECLI:NL:RVS:2026:4959

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.57100 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Appellant is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Hij heeft zijn asielaanvraag op 28 november 2025 ingetrokken. In zijn tweede grief betoogt appellant dat de rechtbank in haar oordeel onder 3.1 niet heeft onderkend dat de minister de wettelijke grondslag van de bewaring niet tijdig heeft omgezet, door deze pas op 1 december 2025 om te zetten naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Volgens appellant had de refoulementbeoordeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het terugkeerbesluit moeten plaatsvinden.

1.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat appellant op 29 november 2025 in het gehoor voorafgaand aan de opvolgende maatregel ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij geen verzoek om internationale bescherming wenst in te dienen, zodat geen sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn. Daarvoor is van belang dat hij de dag voor het gehoor zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat hij tijdens het gehoor heeft geweigerd een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Zijn verklaring dat hij niet kan terugkeren naar Tunesië vanwege politieke redenen, neemt niet weg dat hij heeft geweigerd een nieuwe asielaanvraag in te dienen en uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zal meewerken aan terugkeer naar Tunesië.

1.2. In de toelichting van de minister in het proces-verbaal van het gehoor staat dat de minister de inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet heeft omgezet naar artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, om betrokkene niet in zijn rechten te schaden, kennelijk doelend op bescherming tegen refoulement. De minister is echter ook in het kader van een terugkeerprocedure gehouden aan het verbod van refoulement. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 75.

1.3. Er was evenmin sprake van een uiting die niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om internationale bescherming, als bedoeld in de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4533, onder 2.1, en van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.5. De minister kon appellant niet langer in bewaring houden op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat appellant niet geacht kon worden rechtmatig verblijf te hebben als asielzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. In dit geval had de minister het risico op refoulement moeten beoordelen in de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, als aan de overige vereisten voor die grondslag was voldaan. Zie ter vergelijking de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3857 en ECLI:NL:RVS:2026:3858.

1.4. Omdat de minister de maatregel van bewaring één dag te laat heeft omgezet, is in het geval van appellant de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag niet meer van toepassing is. De maatregel is daarom onrechtmatig vanaf 28 november 2025 tot en met 1 december 2025, de dag waarop de maatregel is opgeheven.

1.5. Deze grief slaagt.

2. Wat appellant in zijn eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

3. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 28 november 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.57100;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 400,00 over de periode van 28 november 2025 tot en met 1 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

846-1125

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C.A. de Poorter

Griffier

  • mr. T.W.A. Weber

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand