BRS.26.004440
ECLI:NL:RVS:2026:4960
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 augustus 2026 in zaken nrs. NL26.44275 en NL26.44278 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 4 augustus 2026 heeft de minister verzoekers in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 augustus 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de Afdeling verzocht het hoger beroep met voorrang te behandelen, omdat zij volgens de vluchtgegevens op 25 augustus 2026 om 18:30 uur uitgezet zullen worden naar Armenië. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om het hoger beroep met voorrang te behandelen in dit geval opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken vandaag zijn aangeleverd, gegeven de omvang van deze stukken en de tijd die met bestudering ervan is gemoeid, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoekers niet op 25 augustus 2026 mogen worden uitgezet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6903, onder 2.2.1, staat een uitspraak van de voorzieningenrechter als gevolg waarvan uitzetting tijdelijk niet aan de orde is, op zichzelf niet in de weg aan de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring. Het treffen van deze voorlopige voorziening ontneemt niet het zicht op uitzetting, omdat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat niet binnen afzienbare tijd op het hoger beroep zal worden beslist. De voorzieningenrechter heft daarom de maatregelen van vreemdelingenbewaring niet op.
3. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoekers ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb).
4. De minister moet de proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet op 25 augustus 2026 mogen worden uitgezet;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026
1161-347