ECLI:NL:RVS:2026:4963

ECLI:NL:RVS:2026:4963

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer BRS.26.000630
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.000630

ECLI:NL:RVS:2026:4963

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 januari 2026 in zaak nr. NL24.32565 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 12 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de verklaringen van appellant over bedreigingen van de Taliban die voortvloeien uit zijn gestelde werkzaamheden voor buitenlandse troepen niet geloofwaardig heeft mogen vinden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de minister de verklaringen van appellant over de aanslag door de Taliban op hem ongeloofwaardig heeft mogen achten. De Afdeling is van oordeel dat een indringende toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van dat asielrelaas niet tot een andere uitkomst zal leiden in deze zaak. Daarvoor is van belang dat appellant in hoger beroep weliswaar aanvoert dat de rechtbank het deskundigenbewijs over de impact van een RPG en de kans van ontploffing ten onrechte niet heeft beoordeeld. Maar de rechtbank is terecht niet aan de beoordeling daarvan toegekomen, omdat dit deskundigenbewijs er niet aan kan afdoen dat de voornoemde verklaringen van appellant niet geloofwaardig zijn bevonden. Verder is van belang dat appellant in hoger beroep weliswaar aanvoert dat uit zijn overgelegde documenten blijkt dat hij auto’s verhandelde en verhuurde in Afghanistan en wijst hij op het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van juni 2023, waaruit blijkt dat personen die gewerkt hebben met of geassocieerd worden met buitenlandse troepen gevaar kunnen lopen voor de Taliban. Maar dit maakt nog niet aannemelijk dat de Taliban hem associeerde met buitenlandse troepen. Tot slot is van belang dat appellant in hoger beroep de overige overwegingen van de rechtbank over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet inhoudelijk betwist.

1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing van de geloofwaardigheid in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2. De overige grieven leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen die grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026

846-1086

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T.W.A. Weber

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand