BRS.26.004173
ECLI:NL:RVS:2026:4970
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 augustus 2026 in zaak nr. NL26.42058 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 augustus 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, betrokkene een schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Vriesde, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
1.1. De enige grief gaat namelijk over de rechtsvraag of voor een kennisgeving een punt aan proceskostenvergoeding kan worden toegekend als het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel gegrond is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4927, volgt dat deze vraag na de wijziging van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 per 12 juni 2026, bevestigend moet worden beantwoord.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep niet een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, maar een wegingsfactor gemiddeld (factor 1). Hoewel het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling, is het niet van eenvoudige aard. De Afdeling betrekt daarbij dat zowel het hogerberoepschrift als de schriftelijke uiteenzetting dateren van vóór de uitspraak van 25 augustus 2026.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026
18