ECLI:NL:RVS:2026:4979

ECLI:NL:RVS:2026:4979

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202601980/1/R3 en 202601980/2/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Bij besluit van 30 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is [verzoekster] onder meer gelast om de hoeveelheid dieren op het erf terug te brengen tot maximaal tien hennen en één haan. [verzoekster] woont op de [locatie A] in Oosterwolde. [partij A] woont naast [verzoekster], op de [locatie B]. De tuinen van deze percelen grenzen aan elkaar. [partij A] en [verzoekster] houden hanen en hennen op deze percelen. [partij A] houdt daarnaast ook loopeenden. [partij B] woont op [locatie C] in Oosterwolde. De tuinen van de woningen van [partij A] en [partij B] grenzen met de achterzijden ervan aan elkaar. [partij B] stelt overlast te ondervinden van de dieren die door [partij A] en [verzoekster] gehouden worden. Daarom heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden. [verzoekster] is gelast om het aantal dieren terug te brengen zodat een situatie ontstaat waarbij het houden van dieren een ondergeschikt gebruik is van haar erf binnen de woonfunctie.

Uitspraak

202601980/1/R3 en 202601980/2/R3.

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[verzoekster], wonend in Oosterwolde, gemeente Ooststellingwerf,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 22 mei 2026 in zaak nr. 24/4272 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2023 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is [verzoekster] onder meer gelast om de hoeveelheid dieren op het erf terug te brengen tot maximaal tien hennen en één haan.

Bij besluit van 16 oktober 2024 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2023 herroepen en opnieuw een last onder dwangsom aan [verzoekster] opgelegd (het besluit op bezwaar). In deze last onder dwangsom is [verzoekster] opnieuw gelast om de hoeveelheid dieren op het erf terug te brengen tot maximaal tien hennen en één haan.

[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij besluit van 11 november 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot zes weken na de uitspraak in de beroepszaak.

Bij uitspraak van 22 mei 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekster] tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.

Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 2 juli 2026 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot en met twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 28 juli 2026. Daar zijn [verzoekster] en het college verschenen. [verzoekster] is bijgestaan door mr. M.T. Hoen, advocaat in Wijnjewoude. Het college is vertegenwoordigd door mr. J. Klomp. Ook zijn op zitting [partij A] en [partij B] gehoord. [partij A] is bijgestaan door mr. M.A. de Boer, rechtsbijstandverlener in Amsterdam. [partij B] is vertegenwoordigd door mr. R. Oosterbroek, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 5 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak

2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

3. [verzoekster] woont op de [locatie A] in Oosterwolde. [partij A] woont naast [verzoekster], op de [locatie B]. De tuinen van deze percelen grenzen aan elkaar. [partij A] en [verzoekster] houden hanen en hennen op deze percelen. [partij A] houdt daarnaast ook loopeenden. [partij B] woont op [locatie C] in Oosterwolde. De tuinen van de woningen van [partij A] en [partij B] grenzen met de achterzijden ervan aan elkaar. [partij B] stelt overlast te ondervinden van de dieren die door [partij A] en [verzoekster] gehouden worden. Daarom heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden.

De lasten onder dwangsom en het besluit op bezwaar

4. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek zijn controles uitgevoerd op de percelen van [partij A] en [verzoekster]. Daarin is geconstateerd dat op deze percelen verschillende hoeveelheden hanen en hennen van [verzoekster] en hanen, hennen en loopeenden van [partij A] aanwezig waren. Tijdens verschillende controles stond een poort in de erfafscheiding tussen de percelen van [partij A] en [verzoekster] open. Daardoor konden de dieren zich vrij bewegen tussen de twee percelen.

Het college heeft eerst in de last onder dwangsom van 30 maart 2023 en daarna in het besluit op bezwaar aan zowel [partij A] als [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd. [verzoekster] is gelast om het aantal dieren terug te brengen zodat een situatie ontstaat waarbij het houden van dieren een ondergeschikt gebruik is van haar erf binnen de woonfunctie. Zij dient daarom niet meer hennen te houden dan tien en het aantal hanen terug te brengen tot één en deze aantallen ook in de toekomst niet meer uit te breiden. Aan [partij A] is een vergelijkbare last opgelegd, met de toevoeging dat [partij A] ook niet meer dan acht loopeenden mag houden.

De uitspraak van de rechtbank

5. In haar uitspraak oordeelt de rechtbank onder meer dat het college in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat het houden van zes hanen en 23 hennen op een oppervlakte van 568 m2 gelet op de ligging van het perceel van zodanige omvang en intensiteit is, dat dit niet meer verenigbaar is met de woonbestemming. Verder ziet de rechtbank in wat [verzoekster] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college haar niet heeft mogen opdragen om het aantal pluimvee naar tien hennen en één haan terug te brengen.

6. De last onder dwangsom die aan [partij A] is opgelegd is onderwerp van de zaken 202601949/1/R3 en 202601949/2/R3. De zaak 202601949/2/R3 is op 28 juli 2026 gelijktijdig met de zaak 202601980/2/R3 op zitting behandeld. In de zaken van [partij A] is ook vandaag uitspraak gedaan. Het kenmerk van deze uitspraak is ECLI:NL:RVS:2026:4980.

Overwegingen

De motivering van de overtreding

7. [verzoekster] betoogt dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een overtreding. Zij voert daarvoor eerst aan dat het college onvoldoende concreet heeft gemaakt wat de grondslag is voor de last onder dwangsom.

[verzoekster] voert verder aan dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het aan [verzoekster] toe te rekenen gebruik in strijd is met de woonbestemming. Het college heeft namelijk een beoordeling gemaakt van de percelen van [partij A] en [verzoekster] gezamenlijk. [verzoekster] stelt dat niet duidelijk is welk gebruik aan haar wordt toegerekend en waarom daardoor sprake is van een overtreding.

[verzoekster] betoogt dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de verschillende betrokken factoren in samenhang tot de conclusie leiden dat er sprake is van een overtreding. [verzoekster] betoogt verder dat onvoldoende is toegelicht waarom de omgeving van haar perceel is aangemerkt als stedelijk gebied. Daarbij is onvoldoende inzichtelijk hoe de ligging aan de rand van Oosterwolde, de aanwezigheid van groen en de hertenkamp in de omgeving in de afweging zijn betrokken. Ook betoogt [verzoekster] dat uit de verrichte controles en de verrichte geluidsmeting onvoldoende blijkt dat er sprake is van overlast door de aanwezige dieren. Daarnaast stelt [verzoekster] dat onduidelijk is hoe uit de geluidsmeting volgt dat de hoeveelheid dieren niet passend is binnen een woonbestemming.

7.1. Voor het perceel van [verzoekster] geldt de beheersverordening Oosterwolde 2014 (de beheersverordening). Het college heeft in het besluit op bezwaar toegelicht dat het perceel een bestemming "Wonen" heeft op grond van de beheersverordening. Aangezien in de beheersverordening niet is omschreven wat binnen de woonfunctie is toegestaan heeft het college aansluiting gezocht bij vaste jurisprudentie van de Afdeling. Zoals het college heeft toegelicht, volgt uit deze jurisprudentie dat de vraag of het gebruik van een perceel strijdig is met de geldende (woon-)bestemming, dient te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5174, onder 4.1.

7.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar verder toegelicht dat verschillende factoren zijn betrokken bij de beoordeling dat sprake is van een overtreding. Allereerst zijn de omvang van de percelen en de aard van de omgeving betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de totale omvang van beide percelen als uitgangspunt mocht nemen, omdat [partij A] en [verzoekster] hun percelen wederzijds hebben opengesteld door een opening in de achtertuinen.

Het college heeft verder toegelicht dat de woningen van [partij A] en [verzoekster] twee-onder-een-kapwoningen zijn aan de rand van de dorpskern van Oosterwolde. Daarnaast heeft het college gewezen op het feit dat er omliggende bebouwing is die bestaat uit andere twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en rijtjeswoningen. Ook de aanwezigheid van de hertenkamp is hierbij betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college hiermee voldoende toegelicht waarom de omgeving als (licht) verstedelijkt is aan te merken. Daarbij is inzichtelijk hoe de door [verzoekster] genoemde omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken.

Daarnaast is toegelicht dat de hoeveelheid dieren is betrokken. Tijdens de laatste controle van 25 juli 2023 bestonden deze aantallen uit zes hanen, 23 hennen en vijf loopeenden op de percelen samen. Ook is betrokken hoeveel geluid de dieren maken. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoekster] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college bij deze beoordeling niet mocht betrekken dat het geluid van de dieren, met name de hanen, voor een bepaalde mate van overlast zorgt. De voorzieningenrechter kan zich daarbij vinden in wat de rechtbank onder 6.4 van haar uitspraak heeft overwogen en verwijst daarnaar.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college aan de hand van deze factoren voldoende toegelicht dat de hoeveelheid dieren op de percelen van [partij A] en [verzoekster] niet meer in overeenstemming is met de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie van de percelen van [partij A] en [verzoekster] in deze (licht) verstedelijkte omgeving. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft toegelicht waarom het gebruik van de percelen door [partij A] en [verzoekster] niet verenigbaar is met de woonbestemming.

Gelet op de toelichting van het college ziet de voorzieningenrechter ook geen grond voor het oordeel dat het college niet concreet heeft gemaakt op welk punt de beheersverordening is overtreden.

Het betoog slaagt niet.

De motivering van de opgelegde last

8. [verzoekster] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom gekozen is voor de hoeveelheid dieren waarnaar het gebruik moet worden teruggebracht. Zij stelt dat uit de besluitvorming volgt dat de overlast met name ervaren wordt vanwege de aanwezigheid van hanen. Niet toegelicht is waarom één haan wel is toegestaan, maar twee of drie hanen niet. [verzoekster] stelt verder dat de toelichting van het college daarnaast niet inzichtelijk maakt waarom de hoeveelheid hennen teruggebracht moet worden tot tien. Het college heeft niet uitgelegd hoe de hennen bijdragen aan de ruimtelijke uitstraling van het gebruik. [verzoekster] wijst er hierbij op dat de geconstateerde overlast aan de hanen wordt toegeschreven.

8.1. Gelet op de last die met het besluit op bezwaar is opgelegd concludeert het college dat een maximum van tien hennen en één haan in overeenstemming wordt geacht met de woonfunctie op deze percelen. Het college heeft in het besluit op bezwaar geconcludeerd dat hanengekraai als hinderlijk kan worden ervaren. Daarbij concludeert het college dat het aantal hanen de frequentie van het gekraai versterkt, wat wordt bevestigd door de klachten van omwonenden en de verrichte geluidsmeting. De voorzieningenrechter ziet in wat is aangevoerd geen reden om aan deze conclusies van het college te twijfelen. Hij betrekt daarbij dat uit het geluidsrapport volgt dat op een van de gemeten dagen 82 keer gekraai van hanen te horen was in een periode van vijf uur. Op een ander moment is geconstateerd dat in twee minuten tijd 18 keer gekraai te horen was. Gelet op de hinder die van de hanen ervaren kan worden en het versterkende effect van meerdere hanen heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende toegelicht waarom maximaal één haan op het perceel van [verzoekster] acceptabel is.

Uit de geluidsmeting volgt verder dat op verschillende momenten ook het geluid van hennen waarneembaar is op het perceel van [partij B]. Hoewel de nadruk in het besluit op bezwaar ligt op de hinder vanwege het aantal hanen, gaat ook van de hennen een ruimtelijke uitstraling uit. Dat de ruimtelijke uitstraling van hennen door het college beperkter geacht wordt dan die van de hanen, volgt uit het feit dat meer hennen dan hanen door het college acceptabel wordt geacht. Bij het opleggen van de last is bovendien het aantal pluimvee in totaal en de samenstelling van de verschillende soorten van dieren op de percelen van [partij A] en [verzoekster] betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college daarmee voldoende toegelicht waarom naast één haan op het perceel van [verzoekster] een maximum van tien hennen in overeenstemming is met de woonbestemming.

Het betoog slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel

9. [verzoekster] betoogt dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarvoor voert zij aan dat tijdens een controle een toezichthouder heeft medegedeeld dat er geen sprake is van ernstige geluidsoverlast.

9.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de door eiseres gestelde toezegging niet kan worden aangemerkt als toezegging waarmee de indruk is gewekt dat niet handhavend zou worden opgetreden. De Afdeling kan zich vinden in wat de rechtbank onder 7.5 heeft overwogen en verwijst daarnaar.

Het betoog slaagt niet.

Lastgeving gericht op hoeveelheid dieren

10. [verzoekster] betoogt verder dat ten onrechte niet is toegelicht waarom in het besluit op bezwaar gekozen is voor een last die gericht is op de hoeveelheid dieren en niet voor een last die gericht is op de manier waarop de dieren op het perceel worden gehouden. Daarvoor wijst zij erop dat in de last onder dwangsom van 30 maart 2023 de last, naast de beperking van de hoeveelheid dieren, ook zag op de manier waarop de dieren op het perceel werden gehouden.

10.1. [verzoekster] heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De voorzieningenrechter zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

12. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

13. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af;

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.

w.g. De Groot

voorzieningenrechter

w.g. Brouwers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026

1080

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. Brouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand