202402745/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2024 in zaak nr. 23/4105 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2022 heeft de minister de paspoortaanvraag die [appellant A] en [appellant B] hebben ingediend voor hun minderjarige dochter [naam dochter] afgewezen.
Bij besluit van 4 mei 2023 heeft de minister het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door J.L.K. Hu en I.S. IJserinkhuijzen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellant B] zijn op [datum] 2007 met elkaar getrouwd in Egypte. [appellant A] heeft op [datum] 2010 het Nederlanderschap verkregen. [appellant B] heeft wel de Egyptische, maar niet de Nederlandse nationaliteit. Op 3 januari 2022 hebben [appellant A] en [appellant B] bij de Nederlandse ambassade in Egypte een paspoort aangevraagd voor hun minderjarige dochter [dochter], die op [geboortedatum] 2012 in Saoedi-Arabië is geboren. Aan deze aanvraag hebben [appellant A] en [appellant B] een Egyptische geboorteakte gehecht, waarop staat vermeld dat [appellant A] en [appellant B] haar ouders zijn.
2. De minister heeft de aanvraag om een paspoort voor [dochter] buiten behandeling gesteld, omdat [appellant A] en [appellant B] geen gelegaliseerde en vertaalde Saoedische geboorteakte hebben overgelegd. Volgens de minister kan het Nederlanderschap van [dochter] niet worden vastgesteld.
Beroep
3. De rechtbank heeft vooropgesteld dat iedere Nederlander recht heeft op een nationaal paspoort. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden. De minister moet zich de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager van een paspoort. De aanvrager kan worden verzocht om de nodige bewijsstukken over te leggen. Op hem rust de bewijslast om voldoende zekerheid te verschaffen over het Nederlanderschap. Als de aanvrager niet in het bewijs slaagt, kan niet tot verstrekking van het paspoort worden overgegaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] niet voldoende hebben onderbouwd waarom het niet mogelijk zou zijn om een Saoedische geboorteakte te krijgen. Volgens de minister kan iemand die is geboren in Saoedi-Arabië bij terugkomst altijd weer een geboorteakte opvragen. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aangetoond dat dit onjuist is. Zij hebben alleen gesteld dat dat de familie iemand die in Saoedi-Arabië woont heeft gemachtigd om de geboorteakte daar op te vragen. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de Saoedische instantie te kennen gegeven dat hij niets kan vinden over de geboorte van [dochter] en dat pas verder kan worden gezocht als een kopie van de geboorteakte wordt verstrekt. Verder hebben [appellant A] en [appellant B] aangevoerd dat [appellant B] een e-mail heeft gestuurd naar de Saoedische ambassade. Volgens de rechtbank is hiermee niet komen vast te staan dat de juiste procedure is gevolgd. [appellant A] en [appellant B] hadden zelf naar Saoedi-Arabië kunnen reizen om een geboorteakte op te vragen bij de juiste autoriteiten. [appellant A] en [appellant B] verkeren niet in bewijsnood. De minister mocht daarom vasthouden aan het vereiste van een Saoedische geboorteakte. Overigens heeft de minister er op de zitting op gewezen dat [dochter] zelf niet mee hoeft te reizen naar Saoedi-Arabië. Eén van haar ouders kan als wettelijk vertegenwoordiger voor haar een geboorteakte opvragen.
5. De rechtbank heeft verder overwogen dat de Paspoortwet of het Paspoortbesluit de minister niet de bevoegdheid biedt om in gevallen waarin de identiteit en daarmee het Nederlanderschap niet met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld op grond van een belangenafweging toch een paspoort te verstrekken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien advies te vragen aan de minister van Justitie en Veiligheid. Pas op het moment dat over de identiteit van [dochter] duidelijkheid is verschaft wordt toegekomen aan de vraag of zij het Nederlanderschap bezit.
6. De minister heeft zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank met juistheid op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de identiteit en daarmee de nationaliteit van [dochter]. De minister heeft daarom de paspoortaanvraag terecht niet in behandeling genomen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
7. De gronden die [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hierboven zijn weergegeven waarop dat oordeel is gebaseerd. Hieraan voegt de Afdeling nog toe dat de minister de eis om een geboorteakte over te leggen mocht stellen gelet op artikel 28, tweede lid, van de Paspoortwet en artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit.
8. De minister heeft op de zitting te kennen gegeven dat [appellant A] en [appellant B] alsnog een gewaarmerkte kopie van de Saoedische geboorteakte kunnen overleggen als zij een nieuwe paspoortaanvraag doen.
Slotsom
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
735