BRS.25.001745
ECLI:NL:RVS:2026:4981
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38483 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M.G. Crompvoets, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De klacht in de eerste grief berust namelijk op een onjuiste lezing van die uitspraak. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank niet volstaan met de constatering dat zij geen aanleiding heeft gezien om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat de minister alle relevante verklaringen en omstandigheden heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Appellant betwist deze inhoudelijke beoordeling niet.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag of het in deze zaak toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de verplichting uit het Unierecht om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien en daarbij alle verklaringen en documenten te betrekken, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026
915-1163