ECLI:NL:RVS:2026:4982

ECLI:NL:RVS:2026:4982

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202505867/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 14 januari 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [appellant] om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft een aanvraag gedaan voor een VOG voor een chauffeurskaart. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat hij het risico voor de samenleving te groot vindt om [appellant] een VOG te verlenen. Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar zijn er op naam van [appellant] zes feiten in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geregistreerd. Het ging hierbij om overtredingen van de maximumsnelheid, een overtreding van de Taxiverordening van Amsterdam 2012 en een overtreding van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. Hiervoor zijn er meerdere boetes aan hem opgelegd. Daarbij is hij twee keer veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. In bezwaar is de staatssecretaris bij zijn besluit gebleven.

Uitspraak

202505867/1/A3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2025 in zaak nr. 25/4613 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2025 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2025 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Azauiyat, advocaat in Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft een aanvraag gedaan voor een VOG voor een chauffeurskaart. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat hij het risico voor de samenleving te groot vindt om [appellant] een VOG te verlenen. Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar zijn er op naam van [appellant] zes feiten in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geregistreerd. Het ging hierbij om overtredingen van de maximumsnelheid, een overtreding van de Taxiverordening van Amsterdam 2012 en een overtreding van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. Hiervoor zijn er meerdere boetes aan hem opgelegd. Daarbij is hij twee keer veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. In bezwaar is de staatssecretaris bij zijn besluit gebleven.

Relevante regelgeving

2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

Uitspraak van de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag om een VOG heeft mogen afwijzen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat de staatssecretaris de in het JDS aangetroffen feiten heeft mogen tegenwerpen en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan het objectieve criterium zoals bedoeld in paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (Beleidsregels). Binnen de terugkijktermijn zijn namelijk aan [appellant] verschillende geldboetes opgelegd wegens het overtreden van de maximumsnelheid en heeft hij meerdere ontzeggingen van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen en twee keer een proeftijd gehad. Het gaat hier volgens de voorzieningenrechter bovendien om herhaalde verkeersfeiten die een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur, waarvoor [appellant] de VOG heeft aangevraagd. Verder heeft de staatssecretaris volgens de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat aan het subjectieve criterium, zoals bedoeld in paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels, wordt voldaan. De staatssecretaris heeft hierbij alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder de leeftijd van [appellant] ten tijde van het begaan van de overtredingen. Ook heeft de staatssecretaris mogen meewegen dat [appellant] binnen de terugkijktermijn in totaal zes verkeersovertredingen heeft begaan en dat hij slechts twee maanden voor de aanvraag nog in aanraking met justitie is geweest. De staatssecretaris heeft volgens de voorzieningenrechter dan ook niet ten onrechte het algemeen belang van de verkeersveiligheid zwaarder mogen laten wegen dan de persoonlijke belangen van [appellant].

Hoger beroep

4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de voorzieningenrechter en in de onder 5 tot en met 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat op de zitting aan de orde is geweest dat de terugkijktermijn in dit geval vijf jaar is en dat deze voor iedereen geldt die een VOG aanvraagt voor het beroep van taxichauffeur. [appellant] kan een nieuwe aanvraag indienen. Bij iedere aanvraag wordt een nieuwe afweging gemaakt, waarbij onder meer het tijdsverloop sinds het laatst begane strafbare feit een rol speelt. Verder voegt de Afdeling toe dat, gezien de aard van elk van de zes feiten in relatie tot het beroep van taxichauffeur, de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er aan het objectieve criterium is voldaan. Alle zes de feiten betreffen immers verkeersfeiten. Daarnaast heeft de staatssecretaris, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, voldoende gemotiveerd dat de persoonlijke belangen van [appellant] minder zwaar wegen dan het algemeen belang van de verkeersveiligheid. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de voorzieningenrechter daarbij getoetst of de staatssecretaris aan de hand van alle omstandigheden van het geval is nagegaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat ook aan het subjectieve criterium voldaan wordt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de voorzieningenrechter dient te worden bevestigd.

6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Van Altena

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

844-1199

BIJLAGE

Relevante regelgeving

Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens (strafbaar feit);

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. van Wezep

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand