ECLI:NL:RVS:2026:4983

ECLI:NL:RVS:2026:4983

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202501381/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 13 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen aan Woonstichting Kennemer Wonen een omgevingsvergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van een appartementencomplex aan de Elkshove 8 in Bergen. Aan de Elkshove 2-8a in Bergen staat een appartementencomplex met een hellend dak, twee woonlagen en acht woningen. De Woonstichting wil het appartementencomplex slopen en een nieuw appartementencomplex met een plat dak en drie woonlagen met in totaal elf woningen bouwen, bestemd voor sociale huur. Hiervoor heeft de Woonstichting bij het college een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning. [appellant] woont aan de [locatie], tegenover het appartementencomplex. [appellant] vreest dat het nieuwe appartementencomplex onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor zijn woon- en leefklimaat. [appellant] heeft alternatieven aangedragen waarmee volgens hem een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Uitspraak

202501381/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Bergen (NH),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 28 januari 2025 in zaak nr. 23/7610 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2023 heeft het college aan Woonstichting Kennemer Wonen (de Woonstichting) een omgevingsvergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van een appartementencomplex aan de Elkshove 8 in Bergen.

Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en de Woonstichting hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R. Fa-Si-Oen en E. Vinke, zijn verschenen. Ook is op de zitting de Woonstichting, vertegenwoordigd door mr. R. Visser en [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Aan de Elkshove 2-8a in Bergen staat een appartementencomplex met een hellend dak, twee woonlagen en acht woningen. De Woonstichting wil het appartementencomplex slopen en een nieuw appartementencomplex met een plat dak en drie woonlagen met in totaal elf woningen bouwen, bestemd voor sociale huur. Hiervoor heeft de Woonstichting bij het college een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan "Bergen-Dorpskern Zuid". Het perceel heeft de bestemming "Wonen-1" en de gronden rondom het perceel hebben de bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk". Omdat het bouwplan in strijd met de planregels is, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo.

[appellant] woont aan de [locatie], tegenover het appartementencomplex. [appellant] vreest dat het nieuwe appartementencomplex onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor zijn woon- en leefklimaat. [appellant] heeft alternatieven aangedragen waarmee volgens hem een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Beoordeling in hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college redelijkerwijs tot het besluit heeft kunnen komen om de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Hij stelt dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.

3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.5 en 6.3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De door [appellant] aangedragen alternatieven zijn geen alternatieven waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet voldoet aan de afstandsnorm uit de VNG-brochure, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. De afstandsnorm waarop [appellant] in dit geval een beroep doet, heeft niet de strekking om zijn belangen te beschermen. Daarom staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het besluit van 13 november 2023. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht afgezien van een inhoudelijke bespreking van die beroepsgrond.

Het betoog slaagt niet.

Slot en conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wijgerde

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

672-1208

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.C.M. Wijgerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand