202403601/1/R3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Den Haag,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 mei 2024 in zaak nr. 22/7356 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
In het besluit van 8 maart 2022 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd wegens het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning.
In het besluit van 5 oktober 2022 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 10 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn van het besluit van 8 maart 2022 verlengd tot vier weken na de dag van verzending van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door dr. mr. A. Herczog, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
In het besluit van 8 maart 2022 heeft het college aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellanten] wonen aan de [locatie] in Den Haag, een rijksmonument. Op 12 januari 2022 heeft het college naar aanleiding van een verzoek om handhaving een bouwinspectie uitgevoerd. Daarbij is door het college geconstateerd dat er een terras met een overkapping en een berging (het bouwwerk) in de tuin waren gerealiseerd. Omdat er geen omgevingsvergunning voor het bouwwerk was verleend heeft het college in het besluit van 8 maart 2022 een last onder dwangsom opgelegd tot het verwijderen van het bouwwerk. Die last is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 5 oktober 2022. Daarna, op 5 juli 2023, hebben [appellanten] een legaliserende aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een terras met overkapping met één wand, welke aanvraag op 12 september 2023 is gehonoreerd.
Relevante regelgeving
3. De voor deze zaak relevante regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het hoger beroep
Bevoegdheid tot handhavend optreden
4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van een overtreding. Zij voeren daartoe aan dat het college in het besluit van 12 september 2023 een omgevingsvergunning heeft verleend voor een bouwwerk, namelijk het terras met een overkapping en de noordelijke wand. Over de niet vergunde oostelijke, zuidelijke en westelijke wanden voeren zij aan dat deze kunnen worden aangemerkt als een verandering van een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning is vereist zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Omdat het enkel een aanpassing van een bestaand, vergund bouwwerk betreft, staat artikel 4a, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van bijlage II van het Bor volgens [appellanten] niet in de weg aan deze afwijking.
Verder betogen zij dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het eveneens niet vergunde terras in het achtererfgebied is gelegen. Zij voeren aan dat op grond van artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor ook voor dat terras geen omgevingsvergunning is vereist zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo omdat het voldoet aan de eisen van dat artikel.
4.1. Over het betoog van [appellanten] dat zij inmiddels wel een omgevingsvergunning verleend hebben gekregen voor het terras met een overkapping en één wand, overweegt de Afdeling dat deze omgevingsvergunning is verleend bij het besluit van 12 september 2023, na het primaire besluit van 8 maart 2022 en na de beslissing op bezwaar van 5 oktober 2022. Alleen al daarom kan de later verkregen omgevingsvergunning geen rol spelen bij de vraag of er ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar sprake was van een overtreding. Dit betekent ook dat het betoog van [appellanten] dat het bouwwerk vergunningvrij is, omdat de bouw van de oostelijke, zuidelijke en westelijke wanden kan worden aangemerkt als een verandering van een bouwwerk, niet kan slagen.
4.2. Met betrekking tot het betoog dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het bouwwerk in het voor- of achtererfgebied is gebouwd, overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van artikel 4a, eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor is artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor niet van toepassing op een activiteit in, aan, op of bij rijksmonumenten. Gelet op het feit dat er in dit geval sprake is van een bouwwerk bij een rijksmonument, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om toe te komen aan de vraag of het bouwwerk in het achtererfgebied is gelegen.
Het betoog slaagt niet.
Was er sprake van een concreet zicht op legalisatie?
5. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten dat de noordelijke, oostelijke en westelijke wanden in het achtererfgebied zijn gerealiseerd. Daardoor zijn deze op grond van artikel 2 en 3, van bijlage II van het Bor vergunningvrij. Voor de overige, zuidelijke wand hadden zij een omgevingsvergunning kunnen aanvragen waardoor concreet zicht op legalisatie bestond.
5.1. De Afdeling overweegt dat voor de vraag of een bouwwerk in aanmerking komt voor legalisatie moet worden gekeken naar het bouwwerk als geheel. Zoals het college terecht opmerkt was het bouwwerk in de op 12 januari 2022 aangetroffen vorm in strijd met de voor de bestemming "Tuin" geldende regels uit de destijds geldende beheersverordening "Meer en Bos - Duinlaan", omdat sprake was van een gebouw. Omdat er ten tijde van het primaire besluit en het besluit op bezwaar van 5 oktober 2022 geen aanvraag voor het bouwwerk in de op 12 januari 2022 aangetroffen vorm was ingediend, was er alleen daarom al geen sprake van concreet zicht op legalisatie.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.
Dit betekent dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het college tijdens de zitting heeft toegezegd om niet eerder dan vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak controles uit te voeren om vast te stellen of voldaan is aan de last onder dwangsom.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L van der Heijden, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
884-1200
BIJLAGE
Besluit omgevingsrecht, bijlage II
Artikel 3
"Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
[…];
1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m,
b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en
d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
[…]
8. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. geen verandering van de draagconstructie
b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,
c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en
d. geen uitbreiding van het bouwvolume."
Artikel 4a
"1. Onverminderd artikel 5, zijn de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.1, eerste lid, onderdeel b, van de Erfgoedwet van toepassing is, een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in:
[…],
b. artikel 2, onderdelen 4 tot en met 21, of artikel 3, onderdelen 4 tot en met 8:
[…],
2°. bij een monument.
[…]."
Beheersverordening "Meer en Bos - Duinlaan"
Artikel 9 Tuin
9.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. tuin, één en ander met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groen, water en overige voorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen
a. op de in het eerste lid bedoelde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd;
[…]