202405168/1/R3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2024 in zaak nr. 22/8216 in het geding tussen onder meer:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
In het besluit van 14 juni 2022 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd in verband met het bouwen en in stand houden van een fietsenberging in de voortuin zonder geldige omgevingsvergunning.
In het besluit van 10 november 2022 heeft het college het onder meer door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 24 juni 2024 heeft de rechtbank het onder meer door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door H. Smit, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
In het besluit van 14 juni 2022 heeft het college aan [appellant] de last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie] in Den Haag. Op 8 januari 2007 is een omgevingsvergunning verleend voor een overdekte fietsenberging in de voortuin. Naar aanleiding van een melding heeft op 8 juli 2021 een inspectie plaatsgevonden. De inspecteur heeft daarbij geconstateerd dat er zonder een geldige omgevingsvergunning een nieuwe overdekte fietsenberging is gebouwd die groter is dan de vorige fietsenberging. Het college heeft daarom op 29 juli 2021 een waarschuwingsbrief gestuurd om uiterlijk 16 september 2021 een omgevingsvergunning aan te vragen dan wel de overtreding te beëindigen door het bouwwerk te verwijderen of de verbouwing ongedaan te maken en het bouwwerk terug te brengen naar de laatste situatie waarvoor wel een vergunning is verleend.
[appellant] heeft op 15 september 2021 een aanvraag ingediend voor het legaliseren van de fietsenberging. Op 28 januari 2022 heeft het college een besluit genomen op de aanvraag van [appellant] en de vergunning geweigerd. Het college heeft vervolgens in het besluit van 14 juni 2022 aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat het beroep van [appellant] ongegrond is. De rechtbank overweegt dat het college terecht heeft geconstateerd dat er sprake is van een overtreding en het daarom bevoegd was handhavend op te treden. Zij stelt vast dat niet in geschil is dat de fietsenberging hoger is dan 1 meter en daarom niet zonder een omgevingsvergunning mocht worden gebouwd. Vervolgens overweegt zij dat op basis van het besluit van 28 januari 2022 moet worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning is geweigerd. Ondanks dat het college onder het kopje ‘besluit’ wel tot verlening van de omgevingsvergunning komt, doet dat niet af aan het feit dat er uit de aanhef, de niet-dikgedrukte tekst en de tekst van de motivering volgt dat de vergunning geweigerd is.
De rechtbank overweegt verder dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Volgens de rechtbank was er geen concreet zicht op legalisatie. Het college heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat er geen andere bijzondere omstandigheden zijn waardoor van handhaving moet worden afgezien. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel of dat handhaving in dit geval willekeurig is. Volgens de rechtbank verschillen de omstandigheden van de door [appellant] aangevoerde gevallen wezenlijk van haar geval. Voor zover bij het college verdere fietsenbergingen bekend zijn zonder vergunning zal daar door het college ook op gehandhaafd worden.
Hoger beroep
Bevoegdheid tot handhaven
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om te handhaven. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank onterecht niet tot het oordeel is gekomen dat er met het besluit van 28 januari 2022 een omgevingsvergunning is verleend voor de fietsenberging. In het dikgedrukte deel van het besluit staat namelijk dat besloten wordt om de omgevingsvergunning te verlenen. Dat er in de rest van het besluit staat dat de omgevingsvergunning geweigerd wordt, dient het college aangerekend te worden.
Verder voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat de overschrijding van de hoogte van de nieuwe fietsenberging binnen de toegestane marges van de planregels ligt.
4.1. Over het betoog dat er met het besluit van 28 januari 2022 een omgevingsvergunning is verleend in plaats van geweigerd, overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft in het besluit op meerdere plekken, waaronder dikgedrukt, uitdrukkelijk opgenomen dat de gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd. Dat elders in het besluit staat dat het college de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleent, doet daar niet aan af en kan gelet op de overige, niet voor meerdere uitleg vatbare inhoud van het besluit niet anders worden gezien dan als een kennelijke misslag. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 4.2 in dit verband dan ook terecht overwogen dat [appellant] er niet zomaar op heeft mogen vertrouwen dat het wel goed zat met de vergunning.
Verder volgt de Afdeling het betoog van [appellant] niet dat de fietsenberging binnen de toegestane marges van de planregels is gerealiseerd. Of de fietsenberging voldoet aan de 10%-marge die in de planregels wordt toegestaan is namelijk irrelevant voor de vraag of [appellant] een geldige omgevingsvergunning heeft voor het bouwen van de fietsenberging als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat er sprake is van een overtreding, omdat de fietsenberging is gebouwd zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
Toetsingskader
5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Zijn er redenen om van handhaving af te zien?
Gelijkheidsbeginsel
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten afzien van handhavend optreden. Zij voert hiertoe aan dat het besluit wel degelijk in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen is de fietsenberging op de Thorbeckelaan namelijk geplaatst zonder geldige omgevingsvergunning. Bovendien zijn er meerdere overdekte fietsenbergingen zonder vergunning in de Vruchtenbuurt waar niet op wordt gehandhaafd. Dat er geen gemeentelijk handhavingsbeleid is voor fietsenbergingen bevestigt dit.
6.1. Wat de verwijzing naar de fietsentrommel op de Thorbeckelaan betreft, overweegt de Afdeling dat deze fietsentrommel op een openbare weg is geplaatst, terwijl de fietsenberging van [appellant] zich bevindt in haar voortuin. Verder is de fietsentrommel een commercieel geëxploiteerde fietsenberging, terwijl de fietsenberging van [appellant] is bedoeld voor privégebruik. Het gaat daarom om een wezenlijk andere fietsenberging. Met betrekking tot de andere fietsenbergingen in de Vruchtenbuurt, kan niet worden geconcludeerd of het daarbij gaat om gelijke gevallen. [appellant] heeft namelijk geen concrete adressen genoemd, waardoor niet gecontroleerd kan worden of deze fietsenbergingen vergelijkbaar zijn en of deze gebouwd zijn met of zonder een omgevingsvergunning. Op de zitting is ook vastgesteld dat geen gelijke overdekte fietsenbergingen met of zonder vergunning zijn gerealiseerd in andere voortuinen in de Parsifalstraat. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden tegen de fietsenberging in dit geval onevenredig is. Volgens [appellant] is er sprake van een overtreding van geringe aard en ernst. De nieuwe berging is met 1,29 m slechts 9 centimeter hoger dan de oude vergunde berging. Daarbij vindt zij ook dat de fietsenberging vanwege de groene uitstraling ruimtelijk aanvaardbaar is. Zij kan zich niet vinden in het voorstel van het college om de fietsenberging deels in te graven vanwege een boom die in de weg staat. Daarnaast is het vanwege haar leeftijd lastig om haar fiets uit een ingegraven berging te halen.
Verder betoogt [appellant] dat zij na de rechtbankuitspraak heeft geprobeerd om in contact te komen met de gemeente om tot een oplossing te komen, maar dat dit ondanks meerdere doorverwijzingen naar verschillende afdelingen van het college niet is gelukt.
7.1. Artikel 12.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan "Bohemen" bevat de bestemmingsomschrijving voor de bestemming "Wonen - 2" en luidt:
"De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
c. bergingen;"
7.2. Over het betoog dat er sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat voor de aanwezige fietsenberging geen vergunning is verleend. Het zonder de benodigde omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk is geen overtreding van geringe aard en ernst. Dat de nieuwe berging van 1,29 m hoger is dan de vorige, vergunde berging maakt dit niet anders. De nieuw gerealiseerde fietsenberging moet namelijk als een nieuwe situatie beoordeeld worden.
Omdat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is overtreden en, zoals hiervoor overwogen onder 5, het algemeen belang is gediend met handhaving, ziet de Afdeling in de gestelde omstandigheid dat de fietsenberging vanwege de groene uitstraling ruimtelijk aanvaardbaar is, geen reden dat het college had moeten afzien van handhaving. Voor zover [appellant] op zitting heeft betoogd dat het onevenredig is dat er geen fietsenberging is toegestaan, omdat zij haar fietsen niet veilig op een andere plek kan stallen, overweegt de Afdeling dat het [appellant] volgens de planregels van het destijds geldende bestemmingsplan "Bohemen" is toegestaan om een overdekte fietsenberging te plaatsen als wordt voldaan aan de in die planregels opgenomen vereisten voor de oprichting daarvan. De Afdeling wijst er voorts op dat het college op de zitting heeft toegelicht dat het hier niet gaat om een overtreding van geringe aard en ernst omdat het niet-handhaven van de overtreding een akelig precedent schept, waardoor het college niet langer met succes handhavend kan optreden tegen andere in voortuinen geplaatste fietsenbergingen met van de planregels afwijkende maatvoeringen.
Het betoog slaagt niet.
8. Dat het [appellant] niet is gelukt om naar aanleiding van de rechtbankuitspraak in contact te komen met het college over de fietsenberging is een omstandigheid die dateert van na het primaire besluit. Dit betreft daarom geen omstandigheid die kan meewegen bij de beoordeling of het belang dat gediend is met handhaving, zoals hiervoor overwogen onder 5, daarvoor moet wijken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Dit betekent dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het college tijdens de zitting heeft toegezegd om niet eerder dan vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak controles uit te voeren om vast te stellen of voldaan is aan de last onder dwangsom.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
884-1200