202500474/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2024 in zaak nr. 22/1498 in het geding tussen:
[appellante]
en
de bewaarder van het kadaster en de openbare registers.
Procesverloop
Op 4 juni 2022 is [appellante] door de bewaarder via een kennisgeving geïnformeerd over een bijhouding van de Basisregistratie Kadaster (BRK).
Bij besluit van 16 juni 2022 heeft de bewaarder het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De bewaarder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2026, waar de bewaarder, mr. L.A.M. Meijerink, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 3 mei 2022 is een verklaring van erfrecht ingeschreven in de openbare registers. Op basis van de ingeschreven verklaring van erfrecht heeft bijhouding van de BRK plaatsgevonden. Uit de verklaring blijkt dat de eigendom van onroerend goed, te verdelen onder zeven erfgenamen, onder wie [appellante], voor de helft is bezwaard met het recht van vruchtgebruik. Voor iedere erfgenaam is als gevolg daarvan 1/14 deel onbezwaard en 1/14 deel bezwaard eigendom ingeschreven.
2. [appellante] kan zich hier niet in vinden omdat volgens haar onjuist is dat nog vruchtgebruik op het onroerend goed zou rusten. Volgens de bewaarder kan hij bij het bijhouden van de registers alleen uitgaan van de inhoud van akten zoals deze staan ingeschreven in de openbare registers. Mocht het vruchtgebruik zijn geëindigd dan moet dat daarom blijken uit een notariële akte of een rechterlijke uitspraak. Hangende beroep heeft [appellante] alsnog een notariële akte laten opstellen en is het geregistreerde vruchtgebruik doorgehaald.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep omdat zij haar doel, het laten doorhalen van het recht van vruchtgebruik, inmiddels heeft bereikt. Dit kan anders zijn als sprake is van schade als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, maar dat heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om proceskostenvergoeding, waaronder de kosten in bezwaar en het verzoek om schadevergoeding levert in beginsel ook geen zelfstandig procesbelang op. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft zij het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Hoewel de redelijke termijn is overschreden, heeft [appellante] al op 11 maart 2023 bericht gekregen van de bewaarder dat het recht van vruchtgebruik is doorgehaald nadat zij zelf de benodigde akte had laten inschrijven in de openbare registers. Vanaf dat moment kon volgens de rechtbank niet langer worden gesproken van geleden spanning en frustratie in afwachting op uitsluitsel in deze procedure.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte een nader verweer met bijbehorende stukken van de bewaarder heeft geaccepteerd dat binnen de toegestane tien dagen voor de zitting is ingediend. Volgens [appellante] is zij daardoor in haar procesvoering geschaad. Voorts betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang meer heeft bij deze procedure. Zij heeft schade geleden omdat zij zelf proactief de notariële akte heeft laten opmaken nadat zij van de rechtbank had vernomen dat de behandeling van haar zaak anderhalf jaar zou duren. Deze kosten heeft zij moeten maken vanwege de rigide houding van de bewaarder. De lijdelijkheid van de bewaarder dient te wijken voor een servicegerichte opstelling richting de burger. Tot slot voert [appellante] aan dat het oordeel van de rechtbank, dat zij geen spanning en frustratie meer heeft ervaren na doorhaling van het recht van vruchtgebruik, onjuist is.
Beoordeling hoger beroep
5. Indien nadere stukken niet binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) daarvoor gestelde termijn zijn ingediend, is het aan de rechtbank om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat deze bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken. Artikel 8:58 van de Awb geeft de rechtbank een zekere vrijheid in haar beoordeling of door een partij ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. Zij zal daarbij aan het procesbelang van de andere partij zwaarwegende betekenis moeten hechten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6008, overweging 5.1.). In dit geval zijn de nadere stukken door de bewaarder ingediend omdat deze ontdekte dat door het inschrijven van de door [appellante] ingediende nieuwe akte de situatie in de BRK was gewijzigd. [appellante] heeft gereageerd op deze stukken nadat zij door de rechtbank hiertoe in de gelegenheid is gesteld. Hierbij heeft zij niet kenbaar gemaakt dat zij bezwaar had tegen het inbrengen hiervan en heeft zij aangekondigd niet naar de zitting te komen. De stukken zien op een akte die door [appellante] bij de bewaarder is ingediend om in te schrijven in de registers en correspondentie daarover tussen [appellante] en de bewaarder. Niet duidelijk is op welke wijze [appellante] geschaad kan zijn in haar procesvoering. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank door deze stukken in het geding te betrekken, in strijd met de beginselen van een goede procesorde heeft gehandeld.
6. De bestuursrechter hoeft een bij hem ingediend (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2770, onder 3.2). Het doel dat [appellante] met het voeren van deze procedure voor ogen staat is dat de inschrijving van de eigendom in het BRK wordt bijgewerkt door de registratie van het vruchtgebruik door te halen. Dit doel is inmiddels bereikt omdat de BRK in die zin is bijgewerkt.
Procesbelang kan ook bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4606, onder 2.). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft [appellante] op deze grond belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 16 juni 2022. Als het beroep van [appellante] slaagt en wordt geoordeeld dat de bewaarder de BRK ten onrechte niet heeft bijgewerkt naar aanleiding van het bezwaar, had [appellante] de kosten voor het opstellen van een notariële akte niet hoeven maken. In zoverre hangt de gestelde schade samen met de besluitvorming. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
7. Vast staat dat de redelijke termijn bij de rechtbank is overschreden met bijna zeven maanden. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00) volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4722, onder 4.3.).
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan niet worden gesteld dat vanaf 11 maart 2023 spanning en frustratie ontbrak om de enkele reden dat op dat moment de registratie waar het in deze zaak om gaat is doorgehaald. [appellante] heeft de notariële akte die tot deze doorhaling heeft geleid laten opstellen nadat de bewaarder heeft geweigerd de bijhouding van de BRK aan te passen en heeft gesteld dit wel op basis van een notariële akte of rechterlijke uitspraak te doen en nadat de rechtbank heeft bericht dat de tijd tussen het indienen van beroep en een zitting nog zeker anderhalf jaar was. [appellante] heeft haar beroep niet ingetrokken omdat zij juist wilde laten toetsen of de bewaarder terecht haar bezwaar ongegrond heeft verklaard in welk geval zij geen kosten had hoeven maken voor een notariële akte. Dat zij in afwachting van een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit zelf een notariële akte heeft laten opstellen betekent dan ook niet dat geen spanning en frustratie aanwezig is over de lange duur van de procedure over een antwoord op deze vraag. Dit geldt ook in het geval haar beroep terecht niet-ontvankelijk zou zijn verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De spanning en frustratie zien immers op de lange duur van de procedure, ook als deze gaat over een oordeel over de ontvankelijkheid. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.
De Afdeling zal dit verzoek alsnog toewijzen. Zij hanteert daarbij een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
8. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moet ook de proceskosten vergoeden die [appellante] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Slotsom hoger beroep
9. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak vernietigen en doende wat de rechtbank zou moeten doen het beroep inhoudelijk behandelen en het verzoek om schadevergoeding toewijzen.
10. De bewaarder moet de proceskosten vergoeden.
Beoordeling beroep
11. Uit artikel 39, tweede lid, van de Kadasterregeling 1994, volgt dat indien de inschrijving in de openbare registers een wijziging betreft in de rechtstoestand naar burgerlijk recht dan wel een wijziging of aanvulling van de gegevens omtrent een rechthebbende en die inschrijving aanleiding geeft tot een wijziging of aanvulling van de in de basisregistratie kadaster vermelde gegevens, laatstbedoelde gegevens met het ingeschreven stuk in overeenstemming worden gebracht, tenzij de inschrijving betrekking heeft op een erfdienstbaarheid.
Anders dan [appellante] betoogt brengt de bewaarder op grond van dit artikel slechts de gegevens van de betreffende percelen in de BRK in overeenstemming met de gegevens in de openbare registers. De bewaarder heeft hierin slechts een lijdelijke rol, wat betekent dat het niet zijn taak is om de juistheid van de inschrijving in de openbare registers te controleren. De bewaarder hoefde dus geen onderzoek te doen naar de juistheid van de akte, in dit geval de verklaring van erfrecht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1113).
12. Het beroep is ongegrond.
13. De bewaarder hoeft geen proceskosten van het beroep te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2024 in zaaknr. 22/1498;
III. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van16 juni 2022 ongegrond;
IV. veroordeelt de bewaarder van het kadaster en de openbare registers tot vergoeding van [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de bewaarder van het kadaster en de openbare registers aan [appellante] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
317-1158