202504413/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 juni 2025 in zaak nr. 24/3459 in het geding tussen:
[appellant]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat in Harderwijk, aanwezig via een videoverbinding, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y.B. Langerak, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft op 29 november 2023 bij de CSG een tegemoetkoming uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij op 16 september 2023 met een vuurwapen is beschoten. Hij heeft daaraan verschillende schotwonden overgehouden en moest daarvoor geopereerd worden.
2. Op 8 februari 2024, gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de CSG geweigerd een tegemoetkoming uit het Schadefonds toe te kennen. De reden is dat [appellant] een eigen aandeel heeft in het geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden. Hij begaf zich bewust in het drugsmilieu en het schietincident is hier een gevolg van geweest.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beleid van de CSG over wanneer al dan niet een tegemoetkoming uit het Schadefonds wordt toegekend bij een eigen aandeel van het slachtoffer niet kennelijk onredelijk is. Daarbij heeft de CSG onderscheid mogen maken in de verschillende situaties van het eigen aandeel die verschillende gevolgen hebben. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de tegemoetkoming uit gemeenschapsgeld wordt gefinancierd, waarbij het gaat om een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. Het is in principe niet passend om een tegemoetkoming uit het Schadefonds toe te kennen, als het slachtoffer een eigen aandeel heeft in het geweld.
4. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleiding van het geweldsmisdrijf gelegen is in de betrokkenheid van [appellant] bij het soft- of harddrugsmilieu. [appellant] heeft in zijn aangifte bij de politie verklaard dat hij in het verleden betrokken is geweest bij drugscriminaliteit en bij een drugsoorlog. Ook is gebleken dat [appellant] een aantal dagen voor het schietincident bij de verdachte langs is geweest om een bedrag van € 18.000 te incasseren, omdat de verdachte met vals geld voor een partij drugs zou hebben betaald.
5. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de CSG in dit geval niet met toepassing van 4:84 van de Awb heeft hoeven afwijken van haar beleid. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De CSG stelt terecht dat het inherent is aan een afwijzing op grond van het eigen aandeel dat een aanvrager ernstig letsel heeft. Anders zou de aanvraag al zijn afgewezen, omdat er geen sprake is van ernstig letsel. Daarmee zijn de ernst van het letsel en de andere gevolgen die het voor [appellant] heeft geen omstandigheden die maken dat de CSG moet afwijken van haar beleid. Evenmin zijn de opstelling van [appellant] in de strafrechtelijke procedure en de toekenning van de immateriële schadevergoeding als benadeelde partij omstandigheden op grond waarvan de CSG had moeten afwijken. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de drugscriminaliteit veelvuldig geweld wordt gebruikt. [appellant] was zich hier bewust van en heeft er bewust voor gekozen zich in deze kringen te begeven. Dat hij zelf geen geweld heeft gebruikt doet daar niet aan af. Het is daarom niet onevenredig dat de CSG overeenkomstig het beleid de aanvraag heeft afgewezen.
Oordeel van de Afdeling
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij een eigen aandeel heeft gehad in het geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden. Daarnaast betoogt [appellant] dat voor zover hij een eigen aandeel heeft gehad het tegen hem gepleegde geweld niet in verhouding staat tot zijn aandeel, waarbij hij bij de verdachte slechts tweemaal aan de deur is geweest om tevergeefs geld te incasseren voor een wietpartij en geen geweld heeft gebruikt. Vanwege dit beperkte aandeel had de CSG de tegemoetkoming niet volledig mogen weigeren. Tot slot betoogt [appellant] dat hij door het beleid van het Schadefonds onevenredig wordt benadeeld en dat de CSG met toepassing van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van haar beleid. De ernst van het misdrijf, het daardoor opgelopen zeer ernstige lichamelijke en geestelijke letsel en zijn beperkte rol, staan niet in verhouding tot een volledige weigering van de uitkering.
6.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 - 6.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat niet in geschil is dat [appellant] zich bij de woning van de dader van de schietpartij bevond omdat hij in opdracht van een derde geld wilde incasseren voor een partij softdrugs. Het betoog ter zitting dat niet kan worden gezegd dat [appellant] zich daardoor in het drugsmilieu heeft begeven, met alle risico’s van dien, is onnavolgbaar. Dat eigen aandeel is anders dan ter zitting is betoogd ook niet zo klein dat de CSG om die reden tot een gedeeltelijke uitkering had moeten komen. De ernst van het letsel dat [appellant] heeft opgelopen, maakt dit allemaal niet anders.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
1120