202503796/1/R1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Beverwijk,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/5563 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college aan RSB Brothers B.V. (RSB) een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een appartementencomplex met daarin 50 woningen op het perceel sectie B, 6262, ten zuiden van de kruising tussen Plantage en Warande in Beverwijk.
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college het besluit van 17 oktober 2023 onder een nadere motivering in stand gelaten en het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:5618, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en RSB hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
RSB heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 22 april 2026 heeft het college het besluit van 16 juli 2024 gewijzigd.
[appellant] heeft tegen dat besluit gronden ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, rechtsbijstandverlener in Heemskerk, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Nauta, zijn verschenen. Voorts is ter zitting RSB, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat in Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft bij besluit van 17 oktober 2023 aan RSB een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex met daarin 50 woningen op het perceel ten zuiden van kruising tussen Warande en Plantage in Beverwijk (het perceel). Het appartementencomplex heeft tien bouwlagen en een bouwhoogte van 32,7 m. Daarnaast omvat het bouwplan de aanleg van een parkeerplaats met 40 parkeerplekken.
Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Woongebied West" doordat het hoofdgebouw zich gedeeltelijk buiten het bouwvlak bevindt, de maximale bouwhoogte in de planregels met 2,7 m wordt overschreden, er woningen, tuinen en balkons gerealiseerd worden binnen de bestemming verkeer en er parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen de bestemming wonen. Het college heeft de omgevingsvergunning voor wat deze strijdigheden betref ook verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1O en 2O, van de Wabo.
[appellant] woont aan de [locatie] in Beverwijk op ongeveer 30 m afstand tot het perceel waarop het bouwplan is voorzien. Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen de verlening van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Het beroep van [appellant] tegen dat besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 26 mei 2025 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Goede ruimtelijke ordening
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt dat het appartementencomplex grote gevolgen heeft voor de privacy, bezonning en het straatbeeld. Daarnaast had volgens [appellant] onderzoek gedaan moeten worden naar windhinder en geluidsweerkaatsing die mogelijk optreden als gevolg van het appartementencomplex. Zolang deze aspecten niet zijn onderzocht valt het volgens hem voor het college niet te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
3.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
3.2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan op de hiervoor weergegeven argumenten. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10.1 tot en met 11 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Afdeling voegt daaraan toe dat RSB in hoger beroep een rapport over een onderzoek naar windhinder en windgevaar van Actiflow van 25 november 2025 heeft ingediend. De conclusie in dit rapport is dat de windcondities rondom het appartementencomplex op vrijwel alle plekken geschikt zullen zijn voor de activiteiten die daar worden verwacht en dat windgevaar nergens wordt verwacht. De Afdeling ziet in dat rapport een nadere bevestiging van de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het aannemelijk is dat bouwplan niet tot onevenredige windhinder zal leiden.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan wat betreft het aspect parkeren in overeenstemming is met de planregels. In de eerste plaats voert hij daartoe aan dat het college de verkeerde parkeernomen heeft gehanteerd aangezien er ten onrechte van uit is gegaan dat het perceel zich in "sterk stedelijk gebied" bevindt. In de tweede plaats heeft het college volgens [appellant] niet onderkend dat door het bouwplan een officieel openbaar parkeerterrein verloren gaat dat volgens hem gecompenseerd moet worden.
4.1. Op grond van artikel 24.2, onder a, van de planregels moet met betrekking tot parkeren voldaan worden aan de vigerende gemeentelijke nota Parkeernormen.
4.2. Uit het besluit van 16 juli 2024 valt af te leiden dat de aanvraag van RSD is getoetst aan de beleidsregels van de raad van de gemeente Beverwijk de Nota Parkeernormen en Afkoopregeling 2024 (parkeernota), zoals vastgesteld op 12 oktober 2023. In paragraaf 3.1.2 van de parkeernota staat dat de daarin neergelegde parkeernormen vallen binnen de bandbreedte van de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw (CROW) voor sterk stedelijk gebied. Het perceel valt op grond van bijlage 2 van de parkeernota binnen de parkeernormen voor de "centrum-schil".
4.3. De Afdeling ziet in het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met artikel 24.2 van de planregels is uitgegaan van verkeerde parkeernormen en dat de rechtbank dit niet zou hebben onderkend. De toepasselijke parkeernomen vloeien rechtstreeks voort uit de planregels en de parkeernota waarnaar die verwijzen. Het college heeft bij het toetsen van het bouwplan aan het bestemmingsplan in zoverre geen mogelijkheid om een eigen afweging te maken over de vraag of het perceel ligt in een omgeving die valt aan te merken als "sterk stedelijk" gebied. Overigens heeft het college erop gewezen dat volgens CBS-data Beverwijk inmiddels in de categorie "zeer sterk stedelijk" valt.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
4.4. Op de locatie waarin het bouwplan voorziet in de aanleg van een nieuwe parkeerplaats bevindt zich in de huidige feitelijke situatie een terrein waarop met 22 voertuigen kan worden geparkeerd. In paragraaf 3.2.3 "Rekenregels bepalen parkeereis" van de parkeernota staat onder rekenregel 5 dat "bij bouwinitiatieven op een bestaande gemeentelijke parkeervoorziening of waar bestaande parkeercapaciteit verloren gaat […] compensatie [moet] plaatsvinden van het bestaande parkeerareaal".
4.5. [appellant] heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat het verlies van dit bestaande parkeerterrein gecompenseerd zou moeten worden. De rechtbank heeft dit betoog verworpen onder verwijzing naar de motivering van het college in het besluit van 16 juli 2024 dat het verlies van deze parkeerplekken niet gecompenseerd hoeft te worden omdat er geen sprake is van een parkeervoorziening in de vorm van een officieel parkeerterrein, maar slechts van een braakliggend terrein dat feitelijk als zodanig wordt gebruikt.
Bij brief van 22 april 2026 heeft het college aan de Afdeling kenbaar gemaakt dat in het kader van een verzoek op grond van de Wet open overheid documenten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat het terrein dat feitelijk wordt gebruikt als parkeerplaats en met de realisatie van het bouwplan verloren zal gaan, in 2018 wel degelijk is aangemerkt als officieel parkeerterrein. Volgens het college dient het verlies van 22 parkeerplekken daarom overeenkomstig de parkeernota gecompenseerd te worden. Aangezien dit niet is gewaarborgd in het besluit van 16 juli 2024 bevat dit besluit volgens het college een gebrek.
4.6. De Afdeling ziet in het voorgaande aanleiding om te overwegen dat het bouwplan in strijd is met artikel 24.2 van de planregels. Op dit onderdeel moest dus ook van het bestemmingsplan worden afgeweken, als het college daaraan medewerking had willen verlenen. Uit de motivering van de omgevingsvergunning blijkt niet dat het strijdig gebruik als zodanig door het college is beoordeeld en dat ook daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Het besluit van 16 juli 2024 bevat op dit punt daarom een motiveringsgebrek en is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het beroep van [appellant] daarin ongegrond is verklaard.
6. Gelet op het onder 4.6 genoemde gebrek zal de Afdeling doende wat de rechtbank zou behoren te doen het beroep van [appellant] tegen het besluit van 16 juli 2024 gegrond verklaren en het besluit van 16 juli 2024 vernietigen.
Beroep tegen het besluit van 22 april 2026
7. Bij besluit van 22 april 2026 heeft het college na heroverweging het besluit van 17 oktober 2023 onder een aangepaste motivering in stand gelaten. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
7.1. In het besluit van 22 april 2026 staat dat de woningen in het appartementencomplex een parkeerbehoefte creëren van 36 parkeerplekken en dat in verband met het verlies van het parkeerterrein als gevolg van de realisatie van het bouwplan 22 parkeerplekken gecompenseerd moeten worden, zodat er in totaal 58 parkeerplekken moeten worden gerealiseerd. In het besluit staat dat hieraan wordt voldaan doordat er 59 nieuwe parkeerplekken worden aangelegd waarvan 19 in de openbare ruimte. Volgens het college is het onder 4.6 genoemde gebrek gelet hierop hersteld.
7.2. [appellant] betoogt dat het college een verkeerde parkeernorm heeft gehanteerd omdat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat er sprake is van een "sterk stedelijk gebied". Daarnaast voert hij aan dat doordat met het besluit van 22 april 2026 in de parkeerbehoefte wordt voorzien met de realisatie van parkeerplekken in de openbare ruimte niet is geborgd dat deze exclusief gebruikt kunnen worden door de bewoners van het appartementencomplex.
7.3. De Afdeling heeft onder 4.3 overwogen dat het college terecht is uitgegaan van de parkeernomen zoals die zijn opgenomen in de parkeernota. Verder overweegt de Afdeling dat de parkeernota niet voorschrijft dat parkeerplekken die in de openbare ruimte worden gerealiseerd exclusief voor bewoners van het appartementencomplex beschikbaar moeten zijn. De 22 te compenseren parkeerplekken waren overigens ook openbaar toegankelijk. De Afdeling ziet in het betoog daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 24.2 van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
7.4. Voor zover [appellant] voor het eerst ter zitting heeft aangevoerd dat de parkeerplekken die in de openbare ruimte worden aangelegd te klein zouden zijn om te worden gebruikt en dat het aanleggen van deze parkeerplekken leidt tot een onevenredig verlies aan groenvoorzieningen, heeft hij dit niet onderbouwd, en is dit weersproken door het college. [appellant] heeft deze stellingen dan ook niet aannemelijk gemaakt, zodat de Afdeling hieraan voorbij gaat.
Conclusie beroep tegen het besluit van 22 april 2026
8. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2026 is ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning onder de bij het besluit van 22 april 2026 gewijzigde motivering in stand blijft.
Proceskosten
9. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/5563, voor zover het beroep van [appellant] daarin ongegrond is verklaard;
III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk van 16 juli 2024 kenmerk D-115796 gegrond;
IV. vernietigt dat besluit;
V. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk van 22 april 2026 kenmerk D-171725 ongegrond;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 479,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
1082