202500552/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2024 in zaak nr. 24/1093 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluiten van 4 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen, in het kader van de hersteloperatie toeslagen, aan [appellante] compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009 en dat geweigerd voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013.
Bij besluit van 27 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren deels gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 mei 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.P.C.M. van Es, advocaat in Den Haag, vergezeld door [persoon], en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft voor de jaren 2008 tot en met 2013 (voorschotten) kinderopvangtoeslag ontvangen, die zij later moest terugbetalen. Op 13 november 2019 heeft zij een verzoek gedaan voor een zogenoemde herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor die jaren. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat sprake was van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor die jaren.
2. Bij besluit van 4 maart 2022, met kenmerk UHT-DC I, heeft de Dienst Toeslagen een bedrag van € 42.944,00 aan compensatie toegekend aan [appellante] voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Bij een ander besluit van 4 maart 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, heeft de Dienst Toeslagen, in overeenstemming met het advies van de Commissie van Wijzen, geen compensatie aan [appellante] toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013, omdat zij in die jaren volgens de Dienst Toeslagen evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Uit de stukken blijkt dat [appellante] de opvang van haar (jongste) kind liet verzorgen door haar zoon, zonder bemiddeling van een geregistreerd gastouderbureau. Voor die situatie bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag. Volgens de Dienst Toeslagen had [appellante] dat moeten beseffen.
3. Bij het besluit van 27 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen het bedrag van de compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 verhoogd tot € 46.403,00, in verband met onder andere de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zijn besluit om geen compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 gehandhaafd.
Hoger beroep
Toeslagjaren 2008 en 2009
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bedrag aan compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 te laag is, omdat de rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag voor die jaren op onjuiste wijze is berekend.
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep over bovengenoemde toeslagjaren naar voren heeft gebracht zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11 en 12 van die uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Toeslagjaren 2010 tot en met 2013
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2013. Zij voert aan dat zij eerder was ingeschreven bij het gastouderbureau ‘Darkom’. [appellante] heeft een brief ontvangen, waarin staat dat Darkom in september 2009 is overgenomen door gastouderbureau ‘Anytime’ (de brief van Anytime). Zij ging ervan uit dat zij in de jaren daarna onverminderd was ingeschreven bij Anytime, waarmee zij in die periode herhaaldelijk contact heeft gezocht. Er heeft ook daadwerkelijk opvang plaatsgevonden in de jaren 2010 tot en met 2013, namelijk door haar zoon, die [appellante] te goeder trouw heeft betaald voor de opvang. Dat heeft zij bij brief van 9 januari 2014 aan de Dienst Toeslagen kenbaar gemaakt. [appellante] wijst erop dat de gegevens die de Dienst Toeslagen heeft overgelegd over (het ontbreken van) geregistreerde opvang mogelijk niet betrouwbaar zijn, omdat Darkom bij een zogenoemd CAF-onderzoek, dan wel fraudeonderzoek, betrokken is geweest. [appellante] voert verder aan dat de Dienst Toeslagen in strijd met zijn richtlijnen niet heeft getoetst of de gestelde onregelmatigheden aan haar toerekenbaar zijn. De rechtbank heeft ten onrechte zijn standpunt gevolgd dat dat ook niet nodig was. Uit het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek, versie 3.16 (het Handboek IB), onder 3.3.1, volgt dat de onregelmatigheden in haar situatie niet aan haar toerekenbaar zijn. Het is in strijd met het evenredigheidsbeginsel om desondanks geen compensatie toe te kennen. Daarnaast zijn andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, aldus [appellante].
- Toetsingskader
7. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem sprake was van hardheid of institutionele vooringenomenheid als bedoeld in dat artikel. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht wordt de compensatie niet toegekend als de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
- Is sprake van ernstige onregelmatigheden?
8. In de memorie van toelichting bij de Wht zijn voorbeelden opgenomen van ernstige onregelmatigheden in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. Daarin staat dat in ieder geval sprake is van ernstige onregelmatigheden als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kind waarvoor kinderopvangtoeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ander voorbeeld vormen de gevallen waarin bij twee gezinnen de ouders tegelijkertijd op elkaars kinderen passen, zonder dat de ouders een dienstverband hebben dat geen betrekking heeft op de opvang van de kinderen, zo begrijpt de Afdeling. Ook als de toeslagpartner geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland bestaat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Soms worden vervalste facturen en betaalbewijzen aangetroffen of is er sprake van samenspanning tussen de gastouder dan wel de kinderopvangorganisatie en de ouder. Wanneer dergelijke situaties in het kinderopvangdossier van de aanvrager over de jaren 2012, 2013 of 2014 worden aangetroffen, is dat reden om geen aanspraak te geven op compensatie voor dat jaar. Van een ernstige onregelmatigheid is verder sprake als ouders ook na (herhaalde) verzoeken om informatie niets van zich hebben laten horen, niet op ingeplande afspraken zijn verschenen en ook later geen bezwaar hebben ingediend tegen een van de later volgende correctie- en terugvorderingsbesluiten, zo begrijpt de Afdeling. Door een dergelijke opstelling hebben de desbetreffende ouders de Dienst Toeslagen verhinderd controles uit te voeren en in een latere fase ook om fouten in de besluitvorming te herstellen, aldus de toelichting (Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 72-73).
9. Uit de bovengenoemde voorbeelden leidt de Afdeling af dat onder meer sprake is van ernstige onregelmatigheden, als in het onderzochte toeslagjaar niet werd voldaan aan één of meer van de wettelijke basisvoorwaarden voor het recht op kinderopvangtoeslag.
10. In de jaren 2010 tot en met 2013 was een wettelijke basisvoorwaarde voor kinderopvangtoeslag voor gastouderopvang, dat deze plaatsvond in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang en door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau (zie artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang, zoals dat gold van 1 januari 2010 tot 1 augustus 2010, en artikel 1.5, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zoals dat gold van 1 augustus 2010 tot en met 31 december 2013).
11. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat ten onrechte is geconcludeerd dat in de jaren 2010 tot en met 2013 de opvang van haar jongste kind niet voldeed aan de bovengenoemde wettelijke voorwaarde, volgt de Afdeling dat niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak, onder 17, onbestreden overwogen dat [appellante] op de zitting van de rechtbank heeft bevestigd dat haar zoon, die in die jaren de opvang verzorgde, geen contract had met een gastouderbureau. Daaruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat de opvang heeft plaatsgevonden zonder de bemiddeling van een geregistreerd gastouderbureau. Zij heeft erop gewezen dat dit oordeel wordt ondersteund door overgelegde gegevens van de Dienst Toeslagen, waaruit blijkt dat de Dienst Toeslagen - in het dossier van [appellante] voor de bovengenoemde jaren - in zijn systeem geen gegevens van een opvangorganisatie heeft aangetroffen. Verder heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat niet in geschil is dat [appellante] de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan haar zoon heeft betaald, wat aannemelijk maakt dat [appellante] de vereiste bemiddelingskosten niet heeft afgedragen. De enkele opmerking van [appellante] dat de bovengenoemde gegevens van de Dienst Toeslagen mogelijk onbetrouwbaar zijn, is, gelet op de andere omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken, onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.
12. Uit het voorgaande volgt dat de gastouderopvang van het jongste kind van [appellante] in 2010 tot en met 2013 plaatsvond zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. De opvang voldeed daarom niet aan één van de wettelijke basisvoorwaarden voor het recht op kinderopvangtoeslag. Daarmee is sprake van ernstige onregelmatigheden in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
- Zijn de ernstige onregelmatigheden toerekenbaar aan [appellante]?
13. In het Handboek IB, onder 3.3.1, waarop [appellante] heeft gewezen, staat het volgende.
"Als er sprake is van een vooringenomen behandeling en er evident geen recht op KOT bestaat, dan kan toch recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen bestaan. Daarvoor wordt beoordeeld of het evident geen recht op KOT redelijkerwijs aan de ouder kan worden toegerekend. Hier speelt het adagium "de ouder heeft beseft of had moeten beseffen" een belangrijke rol. Dit wordt ruimhartig getoetst. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat de ouder geen gebruik maakte van gekwalificeerde opvang, terwijl de ouder wel van registratie uitging. […]".
14. In zowel het besluit van 4 maart 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, als ook in het daaraan ten grondslag gelegde advies van de Commissie van Wijzen, staat dat [appellante] had moeten beseffen dat zij in de jaren 2010 tot en met 2013 geen recht had op kinderopvangtoeslag. In zoverre heeft de Dienst Toeslagen getoetst of, en geconcludeerd dat, de hiervoor genoemde onregelmatigheden aan [appellante] toerekenbaar zijn. De rechtbank heeft dit in zoverre onderschreven, dat zij heeft overwogen dat [appellante] had kunnen en moeten weten dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag in bovengenoemde jaren. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat de opvang van het jongste kind in de jaren 2008 en 2009 werd verzorgd door een andere zoon van [appellante], die wel geregistreerd was bij een geregistreerd gastouderbureau. Volgens de rechtbank kunnen de ernstige onregelmatigheden dan ook aan [appellante] worden toegerekend.
15. Wat [appellante] heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de brief van Anytime volgt niet dat de opvang, die voorheen via Darkom plaatsvond, vanaf september 2009 zonder meer via Anytime zou plaatsvinden. In die brief staat dat [appellante] een (concept)overeenkomst ontvangt, die zij na akkoord naar Anytime moet sturen. Van een dergelijke overeenkomst is niet gebleken. In dit verband wijst de Afdeling er nogmaals op dat de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat [appellante] op de zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat de zoon, die in de jaren 2011 tot en met 2013 de opvang verzorgde, geen contract had met een gastouderbureau. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling toegelicht dat het contact dat zij destijds heeft gezocht met Anytime moeizaam verliep. Dat betekent echter niet dat het niet (langer) op haar weg lag om ervoor te zorgen dat de opvang voor haar jongste kind, waarvoor zij (voorschotten) kinderopvangtoeslag ontving, aan de voorwaarden voor die toeslag voldeed. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kon [appellante] er niet redelijkerwijs van uitgaan dat de opvang door tussenkomst van een (geregistreerd) gastouderbureau plaatsvond.
16. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat zij in de jaren 2010 tot en met 2013 wel recht had op kinderopvangtoeslag, omdat zij bij de brief van 9 januari 2014 de Dienst Toeslagen op de hoogte heeft gesteld van haar situatie, volgt de Afdeling dat niet. Uit de brief volgt dat de aanleiding daarvan is gelegen in de besluiten van de Dienst Toeslagen tot terugvordering van de voorschotten, die [appellante] voor die jaren heeft ontvangen. In zoverre doet de brief dan ook niets af aan de conclusie dat de hiervoor genoemde onregelmatigheden aan [appellante] toerekenbaar zijn.
17. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat uit het Handboek IB, onder 3.3.1, volgt dat zij niet had hoeven beseffen dat zij in de jaren 2010 tot en met 2013 geen recht had op kinderopvangtoeslag, volgt de Afdeling dat evenmin. De daarin genoemde situatie "dat de ouder geen gebruik maakte van gekwalificeerde opvang, terwijl de ouder wel van registratie uitging" is niet zonder meer dezelfde situatie als die van [appellante]. In haar geval ontbrak immers niet slechts een registratie van het gastouderbureau, maar is het aannemelijk dat de opvang in bovengenoemde jaren in het geheel niet door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvond.
18. Uit het voorgaande volgt dat de ernstige onregelmatigheden - dat de gastouderopvang van het jongste kind van [appellante] in 2010 tot en met 2013 plaatsvond zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau - aan [appellante] toerekenbaar zijn, in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
- Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
19. [appellante] heeft aan haar beroep op het evenredigheidsbeginsel ten grondslag gelegd dat de hierboven genoemde onregelmatigheden niet aan haar toerekenbaar zijn. Omdat de Afdeling tot het oordeel komt dat die wel aan haar toerekenbaar zijn, slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel alleen al daarom niet. Verder heeft [appellante] niet concreet gemaakt waarom strijd zou zijn met andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat die beginselen zijn geschonden.
Slotsom
20. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
21. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
994