202503631/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, wonend in Bunnik,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025 in zaak nr. 24/5323 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2024 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen op grond van de Wet open overheid (Woo) ingewilligd.
Bij besluit van 17 juni 2024 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 juni 2024 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [andere appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Roelofs en J. Korll, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] en anderen hebben bij het college een verzoek gedaan op grond van de Woo. Het verzoek ziet op een schouwrapport van 2023 ten aanzien van de Bezembinderssloot in Bunnik. In het verzoek staat ook dat als er geen schouw is uitgevoerd, er wordt verzocht om toezending van de laatste schouw ten aanzien van deze sloot. Het college heeft geen schouwrapport overgelegd. Dit rapport bestaat volgens het college niet omdat een schouw alleen wordt gedaan bij watervoerende sloten en Bezembinderssloot geen watervoerende sloot is.
1.1. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het besluit van 12 januari 2024 was onzorgvuldig genomen omdat daarbij niet de informatie openbaar gemaakt was waar [appellant] en anderen om hadden verzocht. In het besluit op bezwaar van 17 juni 2024 heeft het college deze gebreken niet hersteld. Daarom heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit wel in stand gelaten, omdat zij het aannemelijk acht dat het gevraagde schouwrapport niet onder het college berust.
Beoordeling van het hoger beroep
2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het aannemelijk is dat het schouwrapport niet (meer) onder het college berust. Ter onderbouwing hebben zij een foto van twee brieven overgelegd uit mei en december 2000 en een gespreksnotitie. Hieruit volgt volgens [appellant] en anderen dat er destijds wel een schouw van de Bezembinderssloot heeft plaatsgevonden en dat er daarom ook een schouwrapport moet bestaan. [appellant] en anderen willen dat het college ook in de fysieke archieven zoekt naar documenten van vóór de digitalisering door het college in 2015.
2.1. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5 met juistheid overwogen dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat er niet meer documenten zijn en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat er toch meer documenten zijn.
2.2. Hoewel uit de door [appellant] en anderen overgelegde brieven en de gespreksnotitie volgt dat er rond 2000 een bezoek is gebracht door een ambtenaar van het Hoogheemraadschap aan de Bezembinderssloot, is hiermee nog niet aannemelijk dat hier ook een officieel schouwrapport over is opgesteld. De inhoud van de brieven en de gespreksnotitie geven hiervoor geen concrete aanknopingspunten. Het komt de Afdeling dan ook niet ongeloofwaardig voor dat er geen schouwrapport onder het college berust. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
818-1166