ECLI:NL:RVS:2026:5000

ECLI:NL:RVS:2026:5000

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202403027/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Deurne het bestemmingsplan "Stationsstraat 111, Deurne" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van een complex met acht wooneenheden mogelijk. Het complex is voorzien op de locatie van een bestaande dansschool en het braakliggende terrein eromheen. Hiervoor wordt de bestaande functie van een dansschool opgeheven en moet bebouwing van ongeveer 215 m² worden gesloopt. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn direct omwonenden van het plangebied en vrezen voor de aantasting van hun woon-en leefklimaat. Zij vinden het complex te grootschalig voor de omgeving. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen. In een ander complex in de straat blijven zes woningen namelijk al meer dan een jaar onverkocht.

Uitspraak

202403027/1/R2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Deurne,

2. [appellant sub 2], wonend in Deurne,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsstraat 111, Deurne" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellanten sub 1], [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.M.H. Merx, zijn verschenen. Verder is op de zitting Sigma Invest B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. M. Peeters, advocaat in Someren, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 2 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan maakt de bouw van een complex met acht wooneenheden mogelijk. Het complex is voorzien op de locatie van een bestaande dansschool en het braakliggende terrein eromheen. Hiervoor wordt de bestaande functie van een dansschool opgeheven en moet bebouwing van ongeveer 215 m² worden gesloopt. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn direct omwonenden van het plangebied en vrezen voor de aantasting van hun woon-en leefklimaat. Zij vinden het complex te grootschalig voor de omgeving.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Goede procesorde

4. Op de zitting hebben [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] voor het eerst betoogd dat het aantal parkeerplaatsen niet toereikend is gezien het gemeentelijke beleid.

4.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

4.2. Er is naar het oordeel van de Afdeling voor de raad en de initiatiefnemer onvoldoende gelegenheid geweest om te reageren op deze beroepsgrond. Het aanhouden van de zaak leidt bovendien tot vertraging van de procedure wat gezien de belangen van initiatiefnemer bij het bouwen van het complex en die van een goede rechtspleging, onwenselijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] het betoog eerder naar voren hadden kunnen brengen en dat niet is gebleken van omstandigheden die eraan in de weg stonden om dat te doen. Dit betoog blijft daarom buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.

Instemming van de raad met plan

5. [appellant sub 2] betoogt dat de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan onzorgvuldig is verlopen. Hij voert daarover aan dat alle raadsfracties, met uitzondering van de fractie van de verantwoordelijk wethouder, bij een locatiebezoek hun afkeur hebben uitgesproken over het plan. Mede door het ontbreken van een goede visualisatie heeft de raad volgens hem geen goed beeld gehad van het plan en is de raad daardoor, waarschijnlijk onder politieke druk, alsnog ondoordacht overstag gegaan.

5.1. Uit het raadsbesluit van 26 maart 2024 volgt dat een meerderheid van de raad met het bestemmingsplan heeft ingestemd en dat de raad het bestemmingsplan ongewijzigd heeft vastgesteld. [appellant sub 2] heeft verder geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht die erop duiden dat raadsleden bij de stemming onvoldoende waren geïnformeerd of dat zij op ongeoorloofde wijze zijn beïnvloed. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de vaststelling onzorgvuldig is verlopen.

Het betoog slaagt niet.

Gebrek aan behoefte nieuwe woningen

6. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen. In een ander complex in de straat blijven zes woningen namelijk al meer dan een jaar onverkocht.

6.1. In hoofdstuk 3.4 van de plantoelichting wordt vermeld dat het planvoornemen, in lijn met de huidige vraag naar woningen, voorziet in acht levensloopgeschikte appartementen voor senioren en/of één- en tweepersoonshuishoudens. Hiermee wordt volgens de raad aangesloten bij speerpunten als het bieden van ruimte aan de woningbehoefte van de inwoners van Deurne, met name voor kleinere huishoudens, en levensloopgeschikt bouwen. De raad wijst erop dat uit de ‘Structuurvisie Deurne 2030’ volgt dat aan de woningbehoefte voor kleinere huishoudens (senioren, (her-)starters en jonge (eenouder-)gezinnen) in de bestaande woningvoorraad nog niet voldoende wordt tegemoetgekomen. Verder is in de Woonvisie gemeente Deurne 2019-2024 onder andere vermeld dat vooral het aantal eenpersoonshuishoudens en senioren blijft stijgen. Gelet op deze veranderende behoeften en de tekorten in de bestaande woningvoorraad zijn zij volgens de woonvisie prioritaire doelgroepen wat betreft woningbouw voor de gemeente Deurne. Daarmee heeft de raad voldoende gemotiveerd dat er behoefte bestaat aan de woningen waarin het plan voorziet. Het plan is op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening vastgesteld. Wat [appellant sub 2] daar op basis van enige woningen verderop in de straat tegenin brengt is niet voldoende om hieraan te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Bouwhoogte en positionering

7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de maximale bouwhoogte van 11 meter niet passend is binnen de omgeving. De bovenste bouwlaag is volgens hen te veel.

Ook de breedte van de bebouwing en de positionering naar voren ten opzichte van andere bebouwing aan de straatzijde is volgens [appellant sub 2] niet passend binnen de omgeving. Volgens hem wordt het karakter van traditionele dorpsbebouwing aangetast en komt zijn woning uit het zicht te liggen.

7.1. De raad mocht zich op het standpunt stellen dat het plan qua bouwmogelijkheden vanuit stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving.

De raad heeft ten eerste toegelicht dat een maximale bouwhoogte van 11 meter gebruikelijk - en een standaardbouwhoogte - in de gemeente Deurne is. Daarnaast mocht de raad in zijn afweging betrekken dat op basis van de voorheen geldende beheersverordening "Houtenhoek/Schutsboom-de Romein" de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw ook 11 meter was.

Over de inpassing in de omgeving overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 3.4.3 van de plantoelichting is onder verwijzing naar de Welstandsnota 2016 van de gemeente Deurne vermeld dat de projectlocatie ligt binnen het historisch dorpslint. Dit historisch dorpslint wordt gekenmerkt door een kleinschalige verkaveling- en bebouwingstructuur en een menging van functies. Zo varieert de breedte van de kavels van 7 tot 25 meter. Het behoud van die structuur en variatie is belangrijk voor de identiteit van de kern. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de bouwmogelijkheden van het plan hier in vorm en positionering van het bouwvlak naar voren aan de straatzijde stedenbouwkundig bij passen. Als er al, zoals [appellant sub 2] stelt, een vermindering van zicht is op zijn woning, is die niet zo groot dat de raad het plan niet zo had mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Lichthinder

8. [appellanten sub 1] betogen verder dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan lichthinder zal veroorzaken. Zij voeren daarover aan dat het plan zal zorgen voor een flinke toename van licht in de omgeving. Verder voeren [appellanten sub 1] aan dat de beoordeling van de lichthinder bij de omgevingsvergunning onvoldoende zekerheid biedt dat de hinder wordt voorkomen.

8.1. De raad mocht zich op het standpunt stellen dat het plan voor [appellanten sub 1] niet zo’n lichthinder zal veroorzaken dat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Het plan maakt enkel acht appartementen met een woonfunctie mogelijk. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat volgens het bouwplan de woningen op de voorzijde zijn gericht en het trappenhuis, van waaruit slechts een geringe lichtuitval plaatsvindt, aan de achterzijde. Gelet op de vorm en ligging van het bouwvlak ligt een invulling volgens het bouwplan in de rede. De raad hoefde daarom geen rekening te houden met een grotere lichtuitval vanaf de achterzijde dan hij heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Privacy

9. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan hun privacy onredelijk aantast en een inkijk in hun woning en tuin mogelijk maakt. Volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] moet er een voorwaardelijke verplichting in de planregels worden opgenomen die stelt dat er een groenstrook van voldoende hoogte wordt bewerkstelligd om zo hun privacy te beschermen.

9.1. De raad heeft gesteld dat het appartementencomplex een open plek binnen de bestaande bebouwing invult en dat het inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving dat dit soms enige aantasting van de privacy kan opleveren. Ook heeft de raad gesteld dat het bouwvlak op zeven tot tien meter afstand van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ligt en dat het zicht op de woning van [appellant sub 2] grotendeels wordt weggenomen door het trappenhuis. Toch heeft de raad aangegeven bij nader inzien er de voorkeur aan te geven om extra privacy ten behoeve van de belendende percelen te waarborgen. De raad verzoekt de Afdeling daarom artikel 3.2.2 van de planregels zelfvoorziend als volgt aan te vullen:

"d. Ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ dient aan de zuidzijde, vanaf de tweede bouwlaag en hoger, een afscherming te worden gerealiseerd ter waarborging van voldoende privacy van het belendende perceel."

9.2. Omdat de raad over de noodzaak van extra bescherming van de privacy van belendende percelen zich op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 26 maart 2024 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Voor het overige heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de aantasting van de privacy niet zo groot is dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon-en leefklimaat. Het besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen voor zover daarin geen planregel is opgenomen om de privacy extra te waarborgen.

De betogen slagen in zoverre.

9.3. In het slot van de uitspraak zal de Afdeling concluderen wat hiervan de gevolgen zijn voor het besluit.

Schaduwhinder

10. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de bebouwing die het plan mogelijk maakt zorgt voor onevenredige schaduwhinder en vermindering van de zonuren op hun perceel.

10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bestaan geen wettelijke normen voor een minimumaantal zonuren per dag in een woning of op een perceel. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Schaduwhinder kan een negatieve invloed op dit woon- en leefklimaat hebben. De Afdeling wijst als voorbeeld op haar uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5625, onder 6.3.

10.2. Niet ter discussie staat dat het plan zal leiden tot enige toename van schaduw op de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat die toename van de schaduw niet onaanvaardbaar is, waardoor er geen strijd met een goede ruimtelijke ordening is. De raad heeft in dit geval de zogenoemde lichte TNO-norm gebruikt om de aanvaardbaarheid van de vermindering van de bezonning als gevolg van het plan te beoordelen. Uit een bezonningsstudie, uitgevoerd door Van den Acker Architecten B.V., blijkt dat aan deze norm wordt voldaan. Daarbij komt dat de schaduwvorming vooral aan de noordwestkant aan de zijde van de openbare weg plaatsvindt en minder op de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2].

Het betoog slaagt niet.

Geluidhinder

11. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan onevenredige geluidhinder zal veroorzaken. Hij voert daarover aan dat de elf parkeerplaatsen en de acht bergingen direct tegen zijn achtertuin zullen worden geplaatst.

11.1. De raad heeft toegelicht dat een aanvullend akoestisch onderzoek is verricht dat gaat over het parkeren van auto’s aan de achterzijde van het appartementencomplex. Uit dit onderzoek blijkt volgens de raad dat aan de geluidwaarden uit de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure) wordt voldaan, met uitzondering van het maximale geluidsniveau (piekgeluid) in de avond- en nachturen bij de woning van [appellant sub 2]. De raad stelt zich op het standpunt dat desondanks sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

11.2. Uit de plantoelichting volgt dat bij de voorbereiding van het plan gebruik is gemaakt van de VNG-brochure. De VNG-brochure geeft indicatieve richtafstanden waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet door de raad worden beoordeeld. De VNG-brochure kan hierbij een indicatie geven over de aanvaardbaarheid van het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

11.3. In het aanvullend akoestisch onderzoek is vermeld dat gebruik is gemaakt van de systematiek zoals beschreven in bijlage 5 uit de VNG-brochure. Aangezien de nieuwe parkeerplaatsen aangrenzend aan de omliggende woningen mogelijk worden gemaakt, kan aan de richtafstanden in beginsel niet worden voldaan en is een verdere toetsing van het aspect geluid aan de hand van streefwaarden vereist.

11.4. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek volgt dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van woningen van derden aan de richtwaarden voor gebiedstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-brochure (stap 2) wordt voldaan.

11.5. Verder wordt in het aanvullend akoestisch onderzoek aangegeven dat de richtwaarden uit de VNG-brochure voor het maximale geluidsniveau (piekgeluid) in gebiedstype ‘gemengd gebied’ in de avondperiode (60 dB(A)) en in de nachtperiode (65 dB(A)) bij de woning aan de [locatie] worden overschreden (stap 2). Het maximale geluidsniveau (piekgeluid) op de zijgevel ter plaatse van de eerste verdieping bedraagt namelijk 69 dB(A) en op de achtergevel ter plaatse van de tweede verdieping 67 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

Volgens de raad is desondanks sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (stap 3). De raad heeft toegelicht dat de overschrijdingen van het geluidsniveau zich voordoen bij immissiepunten op de gevel op plekken waar zich geen mensen bevinden. Verder stelt de raad dat in de woning sprake is van aanvaardbare binnenniveaus. In het aanvullend akoestisch onderzoek staat over de zijgevel van de woning aan de [locatie] ter plaatse van de eerste verdieping dat deze "doof" is, dus dat zich daar geen kozijnen of ramen bevinden. De geluidwering van een gesloten steenachtige constructie bedraagt volgens het aanvullend akoestisch onderzoek minimaal 40 à 45 dB(A). Dit betekent dat bij dit punt binnen de woning een piekgeluidbelasting van ten hoogste 29 à 24 dB(A) optreedt. Over de achterzijde van de woning aan de [locatie] ter plaatse van de tweede verdieping staat in het onderzoek dat blijkens de berekening in bijlage 4 sprake is van een gevelwering van ongeveer 35 dB(A). Dit betekent dat bij dit punt binnen in de woning de piekgeluidbelasting ten hoogste ongeveer 32 dB(A) zal bedragen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek is gebaseerd op verkeerde uitgangspunten of berekeningen, of dat de daarin getrokken conclusies onjuist zijn. Daarbij betrekt de Afdeling mede dat het meer dan zeer incidenteel optreden van cumulerende piekgeluiden ter plaatse niet aannemelijk is.

Verder volgt uit het aanvullend akoestisch onderzoek dat onder de door de raad gehanteerde waarden voor het maximale geluidsniveau van 70 dB(A) en 65 dB(A) voor de buitenverblijfruimte (tuin) in de dag- en avondperiode wordt gebleven. In de nachtperiode is er een overschrijding van 1 dB(A), maar in die periode verblijven mensen normaal gesproken niet in de tuin.

In het licht van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat, ondanks de overschrijding van de richtwaarden uit de VNG-brochure voor de maximale geluidsniveaus (piekgeluiden) in de avond- en nachtperiode, nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

11.6. Over het betoog van [appellant sub 2] over geluidshinder afkomstig uit de bergingen mocht de raad zich op het standpunt stellen dat het geluid vanwege het gebruik van deze bergingen binnen de richtwaarden uit de VNG-brochure zal blijven en hierdoor geen afbreuk zal doen aan een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.

11.7. De betogen slagen niet.

Belangen ontwikkelaar

12. [appellant sub 2] betoogt dat met het plan enkel het belang van de projectontwikkelaar wordt gediend en dat dit belang ten onrechte zwaarder weegt dan het belang van omwonenden.

12.1. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat er behoefte is aan de appartementen die het plan mogelijk maakt. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat met het plan enkel de belangen van de projectontwikkelaar worden gediend.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering woning

13. [appellant sub 2] betoogt dat het plan zal zorgen voor een aanzienlijke vermindering van de waarde van zijn woning.

13.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een aparte procedure met eigen rechtsmiddelen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en zelf voorzien

14. De beroepen zijn, gelet op wat onder 9.2 is overwogen, gegrond. Het besluit van 26 maart 2024 moet worden vernietigd voor zover daarin geen planregel is opgenomen om de privacy extra te waarborgen.

14.1. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en bepalen dat deze uitspraak op dit punt in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Op de zitting heeft de Afdeling met de raad, de initiatiefnemer, [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] het voorstel van de raad om de planregels zelfvoorziend aan te vullen besproken. Zowel initiatiefnemer als [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] konden zich hierin vinden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat met toevoeging van een planregel zoals de raad heeft voorgesteld de privacy voldoende zal zijn gewaarborgd. Verder is de Afdeling van oordeel dat aannemelijk is geworden dat andere belanghebbenden niet in hun belangen worden geschaad. De Afdeling ziet dan ook geen beletsel om op dit punt toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb en zelf in de zaak te voorzien.

14.2. Daarbij is echter wel besproken dat de door de raad voorgestelde planregel niet op deze manier zelf voorziend kan worden toegevoegd. Ten eerste is de voorgestelde planregel niet voorwaardelijk geformuleerd. Verder verwijst de voorgestelde planregel naar de bouwaanduiding ‘gestapeld’, die weliswaar op de verbeelding staat, maar in de planregels niet is omschreven. Gelet op het voorgaande is op de zitting met partijen besproken dat de planregel als volgt komt te luiden:

"d. Ter plaatse van het bouwvlak kan alleen gebouwd en gewoond worden wanneer aan de zuidzijde van het gebouw, vanaf de tweede bouwlaag en hoger, een afscherming wordt aangebracht en in stand gehouden ter waarborging van voldoende privacy van de belendende percelen."

14.3. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

14.4. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deurne van 26 maart 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stationsstraat 111, Deurne", voor zover daarin geen planregel is opgenomen over extra maatregelen ter waarborging van de privacy van de belendende percelen;

III. bepaalt dat aan artikel 3.2.2 van de planregels een nieuw lid d wordt toegevoegd, luidende:

"d. Ter plaatse van het bouwvlak kan alleen gebouwd en gewoond worden wanneer aan de zuidzijde van het gebouw, vanaf de tweede bouwlaag en hoger, een afscherming wordt aangebracht en in stand gehouden ter waarborging van voldoende privacy van de belendende percelen.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 26 maart 2024 voor zover dat is vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Deurne op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III. en IV. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Kuipers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

271-1167

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Kuipers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand