202205747/1/R2 en 202205888/1/R2
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellante sub 1], gevestigd in Boxtel,
2. Werkgeversvereniging Boxtel en Omgeving (de werkgeversvereniging), gevestigd in Boxtel,
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Boxtel,
4. [appellante sub 4] en anderen (de holding en anderen), allen wonend of gevestigd in Boxtel,
5. Stichting Bewonersbelangen Boxtel-Noord en anderen (SBBN en anderen), allen wonend of gevestigd in Boxtel,
6. Boxly Drankenhandel B.V. en Beheer en Belegging Rogely B.V. (Boxly en Rogely), beide gevestigd in Boxtel,
7. Stichting Kalksheuvel Groen de betere weg, gevestigd in Boxtel (SKG),
8. Vereniging Het Groene Hart Brabant (VHGHB), gevestigd in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, mede namens Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel, gevestigd te Boxtel,
appellanten,
en
1. het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,
2. de raad van de gemeente Boxtel,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft het college het "Verkeersbesluit tot het instellen van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen op de dubbele spoorwegovergang in de Tongersestraat (gedeelte van de Tongersestraat vanaf de oostzijde van de spoorwegovergang 's-Hertogenbosch — Eindhoven tot aan de Van Salmstraat en Tongeren ten oosten van perceel Tongeren 2) in Boxtel" (verkeersbesluit Tongersestraat) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], de werkgeversvereniging, de holding en anderen, SBBN en anderen, Boxly en Rogely en VHGHB beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft het college het "Verkeersbesluit tot het instellen van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen op de spoorwegovergang in de Kapelweg (gedeelte tussen Kapelweg 62 en Kapelweg 67) in Boxtel" (verkeersbesluit Kapelweg) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de werkgeversvereniging, SBBN en anderen en Boxly en Rogely beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft het college hogere grenswaarden vastgesteld als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder. Dit besluit hebben Boxly en Rogely in hun beroepschrift genoemd.
Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de werkgeversvereniging, [appellanten sub 2], SBBN en anderen, Boxly en Rogely, SKG en VHGHB beroep ingesteld.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hiervoor heeft de raad op 5 oktober 2021 een coördinatiebesluit genomen.
De raad en het college hebben samen een verweerschrift ingediend.
Diverse partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken op een zitting behandeld op 25 november 2025, waar de volgende partijen zijn verschenen:
- [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandverlener in Leusden, en [persoon];
- de werkgeversvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en mr. K.W.H. Albert, advocaat in ’s-Hertogenbosch;
- [appellanten sub 2],
- de holding en anderen, vertegenwoordigd door mr. P. Koeslag, advocaat in Schijndel,
- SBBN en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.J. Boogers en [gemachtigde B],
- Boxly en Rogely, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en mr. L. Pronk, advocaat in Helmond,
- SKG, vertegenwoordigd door [gemachtigde D], [gemachtigde E] en mr. J.E. Dijk, advocaat in Haarlem,
- VHGHB, vertegenwoordigd door [gemachtigde F] via een videoverbinding,
- de raad en het college, samen vertegenwoordigd door T. van Erve, C.P. van den Hombergh, H.A.M. van den Boogaard, H.P.T. Ullenbroeck, mr. K.M.G. Hamelink en mr. drs. H. Nijman, advocaten in ’s-Hertogenbosch en Eindhoven.
Overwegingen
ALGEMENE OVERWEGINGEN
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 11 februari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
2. Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022" waarvan het ontwerp zoals gezegd op 11 februari 2022 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder Wet geluidhinder, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3. Deze uitspraak gaat over vier besluiten van de raad en het college van Boxtel. De besluiten zijn gebaseerd op het Maatregelenpakket Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Boxtel (het maatregelenpakket). De term ‘Programma Hoogfrequent Spoorvervoer’ wordt hierna afgekort tot PHS. Dit pakket moet een oplossing bieden voor de slechte staat van de leefbaarheid en verkeersveiligheid, die wordt veroorzaakt door de dubbele spoorwegovergang bij de Tongersestraat in Boxtel en het verkeer dat door het centrum rijdt.
Het pakket bestaat uit vijf deelprojecten die samen de knelpunten moeten oplossen. Deelproject 1 is de opheffing van de bestaande dubbele spoorwegovergang bij de Tongersestraat. De deelprojecten 2 tot en met 5 hebben als doel alternatieven te bieden voor de gesloten spoorwegovergang voor gemotoriseerd en langzaam verkeer. Deelproject 2 is de aanleg van de verbindingsweg Ladonk - Kapelweg (VLK) en de uitvoering van maatregelen bij enkele andere spoorwegoverwegen. Deelproject 3 is de aanleg van een weg tussen de Mezenlaan en de VLK. Daarnaast zijn binnen deelproject 3 diverse maatregelen voorzien om de snelheid van gemotoriseerd verkeer te beperken en wordt een regionale fietsverbinding aangepast. Deelproject 4 is de capaciteitsuitbreiding van de Keulsebaan, die ten zuiden van Boxtel ligt. Ten slotte is deelproject 5 de aanleg van een fietsonderdoorgang op de locatie van de gesloten dubbele spoorwegovergang bij de Tongersestraat.
4. Deze zaak gaat alleen over de deelprojecten 1 en 2. De Afdeling heeft een eerdere versie van de besluiten in beide deelprojecten beoordeeld in de uitspraak van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2765). Het bestemmingsplan "VLK 2017" en de bestreden besluiten die gecoördineerd waren voorbereid met dat bestemmingsplan zijn toen vernietigd. De reden hiervoor was, kortgezegd, dat het bestemmingsplan ten onrechte was gebaseerd op de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021. Op de zitting heeft de raad toen toegelicht dat een nieuw ontwerpbestemmingsplan voor de verbindingsweg en bijbehorende ontwerp-uitvoeringsbesluiten vanaf 11 februari 2022 ter inzage zijn gelegd. Daaruit volgden de besluiten die de Afdeling in deze zaak moet beoordelen.
5. De Afdeling heeft ook al eerder uitspraak gedaan over de overige deelprojecten. Deelproject 3, het bestemmingsplan "Verbindingsweg Tongeren", is inmiddels onherroepelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4231) de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard.
Deelproject 4, het bestemmingsplan "Keulsebaan" en het samenhangende "besluit hogere waarde Wet Geluidshinder Capaciteitsuitbreiding Keulsebaan Boxtel", is behandeld in de uitspraak van 3 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2263). In die uitspraak heeft de Afdeling de ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd.
Deelproject 5, het bestemmingsplan "Fietsonderdoorgang Tongersestraat", is behandeld in de uitspraak van 3 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2262). In die uitspraak heeft de Afdeling de beroepen gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard en het bestemmingsplan vernietigd.
Opzet van de uitspraak
6. De Afdeling zal als eerste ingaan op de onderwerpen waarover zij niet kan of zal oordelen. Daarna zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die gaan over meerdere besluiten (overwegingen 12 tot en met 25.1). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die gaan over het bestemmingsplan (overwegingen 26 tot en met 37.2). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de verkeersbesluiten (overwegingen 38 tot en met 47.1). Ten slotte bespreekt de Afdeling wat verder is aangevoerd en het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn (overwegingen 48 tot en met 51). De eindconclusie is opgenomen in de slotoverwegingen van deze uitspraak (overwegingen 52 tot en met 54). Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing.
Samenvatting van de uitspraak
7. In deze uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat alleen de beroepen van SKG en VHGHB gegrond zijn. De andere beroepen zijn ongegrond. Naar aanleiding van de beroepen van SKG en VHGHB wordt één gebrek vastgesteld in het bestemmingsplan. De raad heeft bij het extern salderen niet voldaan aan het zogeheten additionaliteitsvereiste. Het bestemmingsplan is op dat punt niet goed gemotiveerd en moet worden vernietigd. Maar omdat de raad op een later moment alsnog heeft voldaan aan dat vereiste, bepaalt de Afdeling dat de rechtsgevolgen van het bestemmingsplan in stand blijven. Dat betekent dat de VLK aangelegd kan worden. Ook mogen de dubbele spoorwegovergang op de Tongerstestraat en de spoorwegovergang op de Kapelweg gesloten worden.
Ingetrokken beroepsgronden
8. Op de zitting heeft SKG de beroepsgrond dat in de Aerius-berekeningen ten onrechte is uitgegaan van een rekenafstand van 25 km voor verkeer, ingetrokken.
Op de zitting hebben de werkgeversvereniging en SBBN en anderen het betoog dat het ontwerpbestemmingsplan te vroeg ter inzage is gelegd, omdat het voorlopige toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage nog niet was gepubliceerd, ingetrokken.
Omvang van het geding
9. Boxly en Rogely vermelden in hun beroep ook het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden, maar zij hebben daar geen gronden tegen aangevoerd. Op de zitting hebben Boxly en Rogely gezegd niet bedoeld te hebben om beroep in te stellen tegen dit besluit. Dat besluit valt dus buiten de omvang van het geding.
Artikel 1.6a van de Chw
10. [appellanten sub 2] en VHGHB hebben de beroepsgronden over strijd met de Omgevingsverordening en gebreken in de akoestische onderzoeken pas aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep. Op deze zaak is de Chw van toepassing. Volgens artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Deze beroepsgronden zal de Afdeling dus niet bespreken.
Toepasselijke regelgeving in de bijlage
11. Voor zover de wettelijke bepalingen en de planregels niet in de uitspraak zijn geciteerd, is de relevante regelgeving opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
GRONDEN TEGEN MEERDERE BESLUITEN
Verhouding tot het maatregelenpakket
12. De werkgeversvereniging, [appellanten sub 2], de holding en anderen, SBBN en anderen, Boxly en Rogely, SKG en VHGHB voeren diverse gronden aan over verkeersaspecten, de aanvaardbaarheid van de hier ter beoordeling staande besluiten over deelproject 1 en 2 en hoe deze samenhangen met het maatregelenpakket als geheel. Zij hebben hier diverse gronden over aangevoerd, die de Afdeling hieronder gebundeld en samengevat zal bespreken.
- VLK als deelproject
13. De werkgeversvereniging, de holding en anderen, SBBN en anderen, Boxly en Rogely en VHGHB betogen dat een integrale visie en een integraal maatregelenpakket ontbreken, doordat de plannen en besluiten afzonderlijk en niet gecoördineerd in procedure zijn gebracht. Nu ontbreekt een integrale toetsing van het maatregelenpakket. De werkgeversvereniging betoogt dat de samenhang met de andere deelprojecten onvoldoende is onderzocht. Volgens SBBN en anderen moet de verbindingsweg geen zelfstandige maatregel zijn, maar moet het onderdeel zijn van een integraal pakket. Nu zijn er geen garanties dat het maatregelenpakket daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden, omdat het mogelijk is dat bepaalde plannen de eindstreep niet halen. De werkgeversvereniging, [appellanten sub 2], SBBN en anderen SKG en VHGHB wijzen op de samenhang van dit deelproject met de andere deelprojecten. De werkgeversvereniging, [appellanten sub 2], SKG en VHGHB betogen dat, omdat de Afdeling in de uitspraken van 3 augustus 2022 de besluiten voor de deelprojecten 4 en 5 vernietigd heeft, er geen sprake meer kan zijn van de beoogde integraliteit. Vooralsnog is er geen zicht op nieuwe besluiten.
13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat alles aan elkaar verbinden in één procedure niet mogelijk is. De raad wijst er daarnaast op dat de besluitvorming over de hier ter beoordeling staande besluiten al had plaatsgevonden voordat de Afdeling de besluiten over deelproject 4 en 5 vernietigde.
13.2. De Afdeling begrijpt de betogen zo dat het maatregelenpakket als integraal pakket beoordeeld had moeten worden en dat dat niet "opgeknipt" mocht worden in afzonderlijk besluiten per deelproject. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat de raad ervoor mocht kiezen om de verschillende deelprojecten apart en dus niet gecoördineerd voor te bereiden met toepassing van artikel 3.30 van de Wro. Zie daarvoor de uitspraken van 18 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4231, onder 5.2, en 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2263, onder 6.3-6.4 en ECLI:NL:RVS:2022:2262, onder 5.3-5.4. De Afdeling ziet geen reden om daar nu anders over te oordelen.
De betogen slagen niet.
- Achterhaalde onderzoeken
14. De holding en anderen, SKG, VHGHB de werkgeversvereniging en SBBN en anderen betogen dat de vernietigde besluiten zijn meegenomen in de onderliggende onderzoeken. Van deze onderzoeken kan nu niet meer uitgegaan worden. VHGHB betoogt dat de uitgangspunten van het Verkeersmodel Boxtel 2019 niet meer van toepassing zijn, omdat het bestemmingsplan voor de verbreding van de Keulsebaan is vernietigd.
14.1. De raad heeft toegelicht dat hij als gevolg van de uitspraken van de Afdeling van 3 augustus 2022 over deelproject 4 en 5 de conclusies van de Verkeersstudie VLK Boxtel van Arcadis 12 oktober 2017, die als bijlage 5 onderdeel uitmaakt van de plantoelichting (verkeersstudie) opnieuw heeft laten beoordelen. Goudappel heeft in de oplegnotitie Verkeersberekeningen VLK van 13 december 2022 (bijlage 4 bij het verweerschrift) (de oplegnotitie) beoordeeld of de uitgangspunten uit de verkeersstudie afgezet tegen het Verkeersmodel Boxtel 2019 (VMB 2019) en het recent beschikbaar gekomen model Brabant Brede Model Aanpak 2022 (BBMA 2022) nog steeds actueel zijn. Ook is beoordeeld of het vooralsnog niet doorgaan van de verbreding van de Keulsebaan leidt tot knelpunten in de verkeersstromen. Goudappel heeft geconcludeerd dat de verkeerseffecten uit de verkeersstudie uit 2017 nog steeds worden onderschreven. De raad heeft bij het verweerschrift ook de actuele ontwerpnotitie VLK gevoegd, waaruit volgt dat de verkeersintensiteiten (zowel op basis van het VMB 2019 als het meest recente verkeersmodel BBMA 2022)) nog steeds passen bij een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/u, zoals het uitgangspunt is voor de VLK. Kortom, de uitgangspunten zijn niet op losse schroeven komen te staan. Het enkele feit dat eerdere besluiten zijn vernietigd, is geen reden om dat wel te menen. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten in zoverre een gebrek bevatten.
De betogen slagen niet.
15. De holding en anderen, SKG en VHGHB wijzen erop dat het maatregelenpakket, waar de hier ter beoordeling staande besluiten op zijn gebaseerd, gebaseerd is op het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan 2008-2020 (GVVP 2008). Het GVVP 2008 is verouderd en loopt maar tot 2020. De raad heeft op 11 juli 2017 ingestemd met de projectkaders voor de nieuwe Mobiliteitsvisie 2031 (MOVE’31). Toch zijn de hier ter beoordeling staande besluiten gebaseerd op het GVVP 2008. Er is geen integraal verkeers- en vervoersplan op basis waarvan de besluiten genomen hadden kunnen worden.
15.1. De raad heeft toegelicht dat het GVVP 2008 nog steeds het geldende beleid is en dat de ambities niet zijn gewijzigd. De holding en anderen, SKG en VHGHB hebben dit als zodanig niet weersproken. SKG en VHGHB hebben in hun beroepschrift ook erkend dat MOVE’31 niet heeft geleid tot besluitvorming en het is ook niet gebleken dat het GVVP 2008 is vervangen door een ander beleidsdocument. De Afdeling ziet daarom geen reden om te oordelen dat de raad zich niet op het GVVP 2008 mocht baseren. Dit oordeel betekent dat de verkeersonderzoeken op deze punten niet gebrekkig zijn.
De betogen slagen niet.
16. De werkgeversvereniging en SBBN en anderen wijzen op diverse gebreken in de verkeersstudie.
De werkgeversvereniging wijst erop dat in de verkeersstudie als beleidsdoel staat vermeld om een tweede (secundaire) ontsluiting te creëren, naast de optimalisatie van de Keulsebaan. De VLK kan alleen niet gezien worden als een tweede ontsluiting, omdat de dubbele spoorwegovergang zal vervallen. Daarbij zal deze niet goed functioneren als een tweede ontsluitingsweg van het bedrijventerrein, omdat het functioneren afhankelijk is van de andere deelprojecten.
Volgens de werkgeversvereniging en SBBN en anderen is in de verkeersstudie van verkeerde en te lage verkeerscijfers uitgegaan. De raad heeft zich dat uiteindelijk ook gerealiseerd en heeft na de eerdere vernietiging het VMB 2019 vastgesteld. Dat is alleen niet vertaald in een geactualiseerde verkeersstudie, zodat niet gecontroleerd kan worden of nu wel van de juiste en actuele verkeerscijfers is uitgegaan.
SBBN en anderen betogen dat in de verkeersstudie ten onrechte niet het verkeer is beschreven dat over de verbindingsweg en daarna door Boxtel-Noord rijdt. Uit paragraaf 4.1 van de verkeersstudie blijkt dat het veel drukker wordt op de Parkweg. De Parkweg wordt zo alsnog een noordelijke ontsluitingsweg, maar dat is in strijd met het verkeersbesluit uit 2004, waaruit volgt dat dit een verblijfsgebied is waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. SBBN en anderen wijzen erop dat in paragraaf 4.3.1 van de verkeersstudie wordt geconstateerd dat op de Leenhoflaan en de Parkweg de verkeersintensiteit toeneemt, maar voorstellen en voorzieningen om dat effect te dempen ontbreken.
SBBN en anderen verwijzen naar bijlage C van de verkeersstudie, waarin is vermeld dat op de Halderheiweg en de Baandervrouwenlaan, waar in het model de maximumsnelheid is verlaagd vanwege de categorisering van het snelheidsregime en de vormgeving van de wegen. Volgens hen hadden de Parkweg en de Molenwijkseweg ook op deze manier behandeld moeten worden in het Verkeersmodel Boxtel 2019, maar het is onduidelijk of dat gebeurd is.
16.1. De Afdeling begrijpt dat de werkgeversvereniging in de kern bedoeld heeft te betogen dat voor een goede verkeersafwikkeling in Boxtel het ook noodzakelijk is dat de Keulsebaan verbreed wordt. Dit project maakt ook onderdeel uit van het maatregelenpakket en de raad en het college hebben hierover aangegeven dat zij van plan zijn om het hele maatregelenpakket uit te voeren. Maar dat deelproject ligt hier niet ter beoordeling voor. Zoals de Afdeling ook al in 13.2 heeft overwogen, mocht de raad ervoor kiezen om de verschillende deelprojecten niet gecoördineerd voor te bereiden. De vraag of de verbreding van de Keulsebaan ook wenselijk is, kan niet aan de orde komen in deze procedure.
Verder heeft de raad zich gebaseerd op de oplegnotitie. De raad heeft toegelicht dat in deze oplegnotitie is beoordeeld of de uitgangspunten uit de Verkeersstudie VLK 2017, afgezet tegen het VMB 2019 en het recent verschenen verkeersmodel BBMA 2022, nog steeds actueel zijn. In de oplegnotitie is geconcludeerd dat het VMB 2019 beschikt over, en gekalibreerd is op dezelfde tellingen als de BBMA 2022 en dat de uitkomsten van de modellen daarom erg vergelijkbaar zijn. Ook is geconcludeerd dat de verkeerseffecten zoals beschreven in de verkeersstudie nog steeds worden onderschreven. De nieuwe resultaten uit de BBMA 2022 bieden geen significant andere inzichten, zo staat in de oplegnotitie.
De raad heeft toegelicht dat het verkeer zich inderdaad zal verplaatsen naar andere wegen. Over het algemeen zijn deze wegen daarop ingericht. Er zal ook meer verkeer komen op een aantal erftoegangswegen, en voor die wegen is de toekomstige verkeersintensiteit beoordeeld. De verkeerstoename blijft binnen de bandbreedte van de theoretische maximumintensiteit van die wegen. De inrichting van de wegen en de omgeving kunnen dit verkeersbeeld goed verwerken, zo heeft de raad toegelicht. Voor zowel de Parkweg als de Molendijkseweg is de maximumsnelheid in het verkeersmodel aangepast van 50 km/u in het basisjaar naar 30 km/u in prognosejaar 2030. Beide wegen zijn dus goed opgenomen in het verkeersmodel, aldus de raad. Deze toelichting kan de Afdeling volgen en SBBN en anderen hebben die ook niet weersproken.
De betogen slagen niet.
17. De holding en anderen betogen dat in de verkeersonderzoeken het hele maatregelenpakket is getoetst, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de VLK in gebruik is. Volgens de holding en anderen is het de vraag of de VLK aangelegd kan worden, aangezien die ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied.
17.1. De Afdeling begrijpt dat de holding en anderen bedoeld hebben te betogen dat de verkeersonderzoeken niet ten grondslag hadden mogen liggen aan de besluiten die hier ter beoordeling omdat die een onzekerheid bevatten. Maar de Afdeling concludeert in deze uitspraak dat de VLK aangelegd mag worden. Zoals ook staat in 16.1 hebben de raad en het college toegelicht dat zij nog steeds van plan zijn om het hele maatregelenpakket uit te voeren. De Afdeling ziet daarom geen reden om te concluderen dat de verkeersonderzoeken in zoverre een gebrek bevatten.
Het betoog slaagt niet.
- Nut en noodzaak en alternatieven
18. De werkgeversvereniging, SBBN en anderen, SKG en VHGHB betogen dat het nut en de noodzaak van de besluiten niet goed zijn onderbouwd. De werkgeversvereniging en SBBN en anderen betogen dat de maatregelen uit de andere deelprojecten samen waarschijnlijk onvoldoende zullen zijn. Zij wijzen op diverse verkeersproblemen die deze besluiten niet oplossen. Volgens de werkgeversvereniging en SBBN en anderen is er daarom eigenlijk een verschuiving van de verkeersdruk.
SKG en VHGHB betogen dat de VLK niet nodig is en dat de afsluiting van de dubbele spoorwegovergang voldoende is. Het verkeer door Kalksheuvel zal sterk afnemen, omdat je via die weg niet meer naar het centrum van Boxtel kunt rijden. Het probleem van de overlast kan volgens SKG worden opgelost door de doorgaande straat in Kalksheuvel af te sluiten voor vrachtverkeer. De holding en anderen, de werkgeversvereniging en SBBN en anderen betogen dat beter gekozen had kunnen worden voor een tunnel voor al het verkeer onder de dubbele spoorwegovergang.
18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de VLK niet alleen als onderdeel van het maatregelenpakket is onderzocht, maar ook als zelfstandige maatregel. Per deelproject zijn de gevolgen voor de directe leefomgeving bezien en is beoordeeld of het deelproject op zichzelf beschouwd in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het nut en de noodzaak van de VLK als zelfstandige maatregel volgt uit de Verkeersstudie van Arcadis uit 2017 en is later bevestigd in de oplegnotitie. Het verkeer zal zich volgens de raad inderdaad verplaatsen naar andere wegen, maar die zijn daarop ingericht. De raad stelt zich vervolgens op het standpunt dat in de planvorming een groot aantal tracés, alternatieven en varianten is onderzocht. De voorkeursvariant die ten grondslag ligt aan het maatregelenpakket voldoet volgens de raad het beste aan de gemeentelijke beleidsdoelstellingen en randvoorwaarden. De VLK levert volgens de raad een belangrijke bijdrage aan twee belangrijke doelstellingen van het GVVP 2008, namelijk het verbeteren van de leefbaarheid en de bereikbaarheid van buurtschap Kalksheuvel, de verbetering van de bereikbaarheid van Ladonk en het ontlasten van het centrum.
18.2. De Afdeling zal hier ingaan op het nut en de noodzaak van het bestemmingsplan. Onder 39 bespreekt de Afdeling de motivering van de verkeersbesluiten.
De raad mocht ervoor kiezen om de VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang samen mogelijk te maken. Naar het oordeel van de Afdeling zijn het nut en de noodzaak van de VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang als zelfstandige maatregelen voldoende aangetoond. Uit de stukken die de raad ten grondslag heeft gelegd aan de besluiten, blijkt voldoende dat de VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang bijdragen aan de verbetering van de verkeerssituatie rondom Boxtel. Zoals de raad ook heeft toegelicht, zullen de VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang samen niet alle verkeersproblemen oplossen, maar zijn ook andere verkeersmaatregelen nodig. De VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang hebben hun eigen specifieke doelstellingen, waaronder een verbetering van de verkeerssituatie rondom de dubbele spoorwegovergang en de aanleg van een tweede volwaardige ontsluiting voor het bedrijventerrein Ladonk.
Over de door de appellanten aangedragen mogelijke alternatieven overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. De raad heeft in de Tracéstudie A2 - Ladonk-Kapelweg van 8 november 2010, (bijlage 6 bij de plantoelichting), diverse oplossingsrichtingen en daarbinnen diverse varianten onderzocht. De varianten zijn beoordeeld op basis van diverse criteria die onder meer gaan over de leefbaarheid in Kalksheuvel en de bereikbaarheid van Ladonk. Op basis van de tracéstudie heeft een trechtering plaatsgevonden, waarna is geadviseerd om drie alternatieven en het nulalternatief verder te onderzoeken. Vervolgens zijn deze in het rapport TALK: nadere vergelijking alternatieven, van 26 mei 2011 (bijlage 8 bij de plantoelichting) vergeleken ten opzichte van elkaar en de referentiesituatie. De raad heeft toegelicht dat een tunnel voor zowel fiets- als gemotoriseerd verkeer niet voldoet aan de doelstelling van het GVVP 2008, omdat het verkeer nog steeds door het buurtschap Kalksheuvel en het centrum richting Ladonk rijdt. De sluiting van de dubbele spoorwegovergang zonder de aanleg van de VLK levert volgens de raad ongewenste verkeers(veiligheids)- en leefbaarheidsproblemen op. Ook een vrachtwagenverbod heeft volgens de raad onvoldoende oplossend vermogen voor de verkeers(veiligheids)- en leefbaarheidsproblemen in Kalksheuvel en is daarom geen alternatief. De raad is in de zienswijzenota ook ingegaan op deze alternatieven. De conclusie hiervan is dat de raad de door de appellanten voorgestelde alternatieven heeft afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend heeft gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.
De betogen slagen niet.
Verkeersonderzoek
19. Meerdere appellanten hebben gronden aangevoerd die gaan over de vraag of de raad of de verkeerskundige onderzoeken zorgvuldig tot stand zijn gekomen en of de raad diverse verkeerskundige punten op de juiste manier heeft betrokken in de besluitvorming. De appellanten wijzen daarbij op diverse gebreken.
20. Boxly en Rogely en de holding en anderen betogen dat de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de besluiten, verouderd zijn. Uit de plantoelichting blijkt dat de uitgangspunten gebaseerd zijn op een vergelijking tussen modelintensiteiten uit 2009 en tellingen uit 2010. Ook verwijst de raad naar oude onderzoeken, zoals de tracéstudie en de Rapportage variantenstudie dubbele overgang Tongersestraat Boxtel van 30 oktober 2013 (bijlage 11 bij de plantoelichting). Deze gegevens zijn gedateerd en niet representatief.
20.1. De raad heeft diverse verkeerskundige rapporten ten grondslag gelegd aan het bestemmingsplan. Sommige onderzoeken komen inderdaad uit 2010, maar dit is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat de raad zich niet meer op deze onderzoeken mocht baseren. Bovendien heeft de raad zich ook op recentere informatie gebaseerd. De raad heeft voor de verkeerskundige onderbouwing gebruik gemaakt van het VMB 2019. In paragraaf 4.2.2 van de plantoelichting staat over het VMB 2019 onder meer vermeld dat dit tot stand is gekomen op basis van het regionale verkeersmodel, dat de provincie Noord-Brabant heeft opgesteld. Het VMB 2019 is gekalibreerd op verkeerstellingen van de gehele provincie uit 2015 en van de gemeenten Boxtel en Sint-Michielsgestel uit 2019. Bij het verweerschrift heeft de raad zoals gezegd de oplegnotitie gevoegd. De raad heeft toegelicht dat in deze oplegnotitie is beoordeeld of de uitgangspunten uit de Verkeersstudie VLK 2017 en het VMB 2019 ten opzichte van het recent verschenen verkeersmodel BBMA 2022 nog steeds actueel zijn. In de oplegnotitie is geconcludeerd dat het VMB 2019 beschikt over, en gekalibreerd is op dezelfde tellingen als de BBMA 2022. Omdat de uitgangspunten uit de Verkeersstudie 2017 op het moment van het opstellen van de oplegnotie (die dus van na de vaststelling van de bestreden besluiten is), nog actueel zijn bevonden, waren die ook op het moment dat de besluiten werden vastgesteld nog niet verouderd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen reden om te concluderen dat de raad zich heeft gebaseerd op verouderde, niet meer bruikbare informatie.
De betogen slagen niet.
21. SKG en VHGHB betogen dat niet is onderzocht welke effecten de sluiting van de dubbele spoorwegovergang heeft op de verkeersaantallen in Kalksheuvel. Ook is de Kapelweg niet meegenomen.
21.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. In de plantoelichting is in 4.2.3 onder het kopje ‘Buurtschap Kalksheuvel’ ingegaan op de gevolgen van de maatregelen op Kalksheuvel. De weg Kalksheuvel is opgenomen in de tabel in afbeelding 4.4 in de plantoelichting. In de Verkeersstudie VLK Boxtel van Arcadis van 12 oktober 2017 (bijlage 5 bij de plantoelichting) is onder meer in paragraaf 4.3.1 toegelicht dat de verkeersintensiteit in het buurtschap Kalksheuvel en op de Kapelweg afneemt in de toekomstige situatie. SKG en VHGHB hebben niet aangegeven wat er hier niet klopt of ontbreekt.
De betogen slagen niet.
22. [appellanten sub 2] betogen dat er onderzoek gedaan had moeten worden naar de extra verkeersbelasting op De Donders. Deze weg ligt tegen het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen (het Natura 2000-gebied) aan. Het is weliswaar een zandweg, maar hier kan wel sluipverkeer over rijden.
22.1. De raad heeft toegelicht dat De Donders niet rechtstreeks is aangesloten op de VLK en dat deze weg bereikbaar is via de Kempseweg. De raad acht het niet aannemelijk dat doorgaand verkeer hier gebruik van zal maken. Gelet op de weginrichting van De Donders kan de Afdeling het standpunt van de raad volgen.
Het betoog slaagt niet.
23. De werkgeversvereniging en SBBN en anderen wijzen op het verkeersbesluit van 10 mei 2022 van het college tot het instellen van éénrichtingsverkeer in de Baroniestraat en de omgeving van Boxtel. In de hier ter beoordeling staande besluiten is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de verkeersmaatregel in de Baroniestraat en dat het bedrijventerrein tot 2026 ook al niet bereikbaar zal zijn via de Baroniestraat.
23.1. Zoals de werkgeversvereniging en SBBN en anderen ook vermeld hebben, is het verkeersbesluit van 10 mei 2022 een tijdelijke maatregel. Deze maatregel geldt tot 2026. De maatregel vervalt eerder als de dubbele spoorwegovergang eerder gesloten wordt. Deze tijdelijke maatregel hoefde de raad niet te betrekken in de verkeersonderzoeken.
De betogen slagen niet.
24. De werkgeversvereniging betoogt dat de veiligheid van de bij haar aangesloten bedrijven, werknemers, klanten en leveranciers niet gewaarborgd is. De veiligheidsregio Noord-Brabant constateert in het advies van 26 juni 2017 (bijlage 16 bij de plantoelichting) dat het afsluiten van de spoorwegovergang leidt tot een stijging van de aanrijtijd (de tijd die hulpverleners nodig hebben om na een melding aanwezig te zijn).
24.1. Zoals de werkgeversvereniging ook erkend heeft in het beroepschrift, heeft de veiligheidsregio in het advies geschreven dat de stijging van de aanrijtijd geen consequenties heeft voor het feitelijk optreden van de hulpdiensten. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de veiligheid op het bedrijventerrein afneemt.
Het betoog slaagt niet.
25. De holding en anderen betogen dat er geen rekening is gehouden met de verlaging van de maximumsnelheid van 60 km/u in plaats van 80 km/u, waarop het ontwerp van de Keulsebaan is gebaseerd.
SBBN en anderen betogen dat in de besluiten onvoldoende rekening is gehouden met het verkeersbesluit van het college van 6 februari 2014, waarmee een maximumsnelheid van 30 km/u is ingesteld in de wijk Selissenwal. De hier ter beoordeling staande besluiten zijn daarmee in strijd, omdat die als effect hebben dat de verkeersdruk in deze straten al toeneemt. De verkeersintensiteit op de Parkweg zal ook toenemen, terwijl uit het verkeersbesluit blijkt dat dit woon-/verblijfsgebied is.
Verder is in paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting vermeld dat op sommige wegen in Boxtel-Noord het verkeer sterk zal toenemen, omdat die wegen nu rustig zijn, zoals de Van der Voortweg, Mezenlaan en de Molendijkseweg tussen Essche Heike en de Parkweg. SBBN en anderen betwijfelen dat de verkeersveiligheid, doorstroming en bereikbaarheid gewaarborgd blijft.
25.1. De holding en anderen en SBBN en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom deze punten relevant zijn voor de beoordeling van de hier ter beoordeling staande besluiten. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding om een gebrek vast te stellen in de besluiten.
De betogen slagen niet.
DE BEROEPEN TEGEN HET BESTEMMINGSPLAN
Toetsingskader
26. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Misleiding belanghebbenden
27. Boxly en Rogely betogen dat de motivering van het bestemmingsplan alleen gaat over de overlast van de dubbele spoorwegovergang, terwijl die zich buiten het plangebied bevindt. Uit de bekendmaking volgt niet duidelijk dat het belangrijkste doel is om de spoorwegovergang te sluiten. Dit komt neer op misleiding van belanghebbenden, zo brengen Boxly en Rogely naar voren.
27.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. De VLK is, net als de dubbele spoorwegovergang, een van de deelprojecten uit het maatregelenpakket. Dit staat ook vermeld in zowel de plantoelichting als de bekendmaking. Zoals de Afdeling ook al in 18.2 heeft overwogen, hebben de VLK en de sluiting van de dubbele spoorwegovergang hun eigen specifieke doelstellingen. De VLK heeft niet alleen als doel om de sluiting van de dubbele spoorwegovergang mogelijk te maken. Het nut en de noodzaak van de VLK als zelfstandige maatregel is voldoende aannemelijk.
Het betoog slaagt niet.
Milieueffectrapport (MER)
28. VHGHB betoogt dat het MER alleen gaat over enkele subvarianten van het eerder gekozen tracé van de VLK. In het MER is dus niet de tracékeuze zelf beoordeeld. Volgens VHGHB moeten alle redelijkerwijs te onderzoeken ontwikkelingsmodellen aan bod komen, waaronder een beschrijving van het meest milieuvriendelijke alternatief (MMA). Dit heeft de raad bewust niet gedaan door de onderzoeksomvang te beperken. Volgens VHGHB is de variant waarin alleen de dubbele spoorwegovergang wordt gesloten, het meest milieuvriendelijk, maar die variant is niet onderzocht. Deze variant leidt volgens VHGHB ook tot een goede verkeersafwikkeling.
Daarnaast is het onderzoek naar de milieugevolgen onvolledig, omdat er onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van versnippering. De VLK zal het akkergebied De Donders doorsnijden. Dit is het laatste overgebleven oude akkergebied van Boxtel dat in hoofdzaak nog open en onbebouwd is gebleven en het beekdal van de Kleine Aa, het Natura 2000-gebied en de noordelijk gelegen bossen Sparrenrijk, Venrode, Zegenwerp en het Dommeldal met elkaar verbindt. Voor flora en fauna zijn er hier nu geen barrières, maar de VLK zal het gebied doorsnijden en verstoren. Door de ligging tussen andere natuurgebieden is het akkercomplex uniek en onvervangbaar. Mitigatie en compensatie zijn daarom onmogelijk, zo betoogt VHGHB.
28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan-MER (het milieueffectrapport voor in dit geval het vastgestelde plan) zich heeft beperkt tot de drie alternatieven voor het tracé die op basis van een uitvoering van de weging van omgevingsaspecten toen als de meest kansrijke alternatieven werden beschouwd. Vanuit het MER zijn alleen zeer beperkte onderscheidende resultaten op milieuaspecten af te lezen. Volgens de raad is de variant waar VHGHB op wijst, in een eerder stadium onderzocht. Daar is toen over geconcludeerd dat die onvoldoende oplossend vermogen heeft om de doelstellingen (leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid) te bereiken. De raad heeft onderzocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om belangrijke nadelige milieugevolgen te voorkomen of te beperken.
28.2. Uit artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer (Wm) volgt dat een plan-MER een beschrijving moet bevatten van de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen. De keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven moet worden gemotiveerd. Uit onderdeel e van deze bepaling volgt dat in het plan-MER de gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en de alternatieven moeten worden beschreven.
De Afdeling stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1250, 10.2.
De Afdeling overweegt vervolgens dat bij een omvangrijk project zoals hier, waarbij vele varianten een rol kunnen spelen, een zekere trechtering gedurende het besluitvormingsproces onvermijdelijk en noodzakelijk is. In hoofdstuk 2 van de aanvulling op het MER, bijgevoegd in bijlage 34 bij de plantoelichting, is toegelicht hoe de besluitvorming rond de varianten heeft plaatsgevonden. Gelet op de doelstellingen voor dit deelproject, waaronder de ontwikkeling van een tweede ontsluiting voor het bedrijventerrein Ladonk, hoefde de raad in het MER niet ook het door VHGHB genoemde alternatief, waarin alleen de dubbele spoorwegovergang wordt gesloten, te onderzoeken. Daarbij geldt, zoals de raad ook heeft toegelicht, dat het niet meer verplicht is om in een MER het MMA te onderzoeken. Die verplichting gold tot 1 juli 2010 (toen geregeld in artikel 7.10, derde lid van de Wm) voor een besluit-MER, maar heeft nooit gegolden voor een plan-MER.
Verder is in het MER betrokken dat met de VLK het akkercomplex wordt doorsneden en het gekozen alternatief is voor het onderwerp ‘landschappelijke en cultuurhistorische waarden’ als negatief beoordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het MER onvolledig is.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting natuurwaarden
- Stikstof
29. SBBN en anderen, SKG en VHGHB, de werkgeversvereniging en [appellanten sub 2] betogen dat het bestemmingsplan kan leiden tot meer stikstofuitstoot, wat Natura 2000-gebieden kan aantasten. Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt, Kampina en Oisterwijkse Vennen is hiervoor in deze aanspraak al aangeduid als het Natura 2000-gebied. Zij betogen dat in dat Natura 2000-gebied stikstofgevoelige en overbelaste habitattypen en leefgebieden aanwezig zijn.
Kunnen alle appellanten zich met succes beroepen op de stikstofnormen?
30. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
30.1. De werkgeversvereniging komt in deze procedure op om de bedrijfseconomische belangen van haar leden te behartigen. De bepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) strekken naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen waarvoor de werkgeversvereniging opkomt.
30.2. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
30.3. SBBN heeft op de zitting bevestigd dat de stichting de behartiging van natuurwaarden niet als doelstelling heeft. SBBN komt in deze procedure, in lijn met haar statutaire doelstelling, op om de belangen van de bewoners van Boxtel-Noord bij een goed woon- en leefklimaat te behartigen, in het bijzonder in verband met de plannen van de gemeente Boxtel met betrekking tot grootschalige infrastructuur en de sanering van spoorwegovergangen. Deze bewoners voor wiens belangen SBBN opkomt, wonen op ten minste ongeveer 1,5 km afstand van het Natura 2000‑gebied. De Afdeling is van oordeel dat dit Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van de bewoners waarvoor SBBN opkomt. Daarom bestaat geen verwevenheid tussen de belangen die de SBBN behartigt met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De betrokken normen van de Wnb strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van SBBN.
30.4. SBBN procedeert samen met natuurlijke personen, die volgens SBBN en anderen wel kunnen opkomen voor de belangen van Natura 2000-gebieden. De natuurlijke persoon die het dichtste bij het Natura 2000-gebied woont, is M. Kolsters. De kortste afstand tussen de woning van Kolsters en het Natura 2000-gebied is ongeveer 2,6 km. Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de leefomgeving van de natuurlijke personen in SBBN en anderen.
De kortste afstand tussen de woning van [appellanten sub 2] en het Natura 2000-gebied is ongeveer 1,1 km. Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de leefomgeving van [appellanten sub 2].
De Afdeling is daarom van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van de natuurlijke personen in SBBN en anderen en [appellanten sub 2] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen.
30.5. De raad heeft op de zitting betoogd dat het relativiteitsvereiste ook in de weg staat aan de bespreking van de gronden die SKG heeft aangevoerd, omdat deze stichting onvoldoende feitelijke werkzaamheden verricht om te kunnen concluderen dat deze stichting kan opkomen voor de belangen van het Natura 2000-gebied. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1139), geldt in het geval zoals hier aan de orde - waarin het beroep van een belangenorganisatie, die volgens haar statuten één of meer algemene belangen behartigt, ontvankelijk is omdat zij een zienswijze naar voren heeft gebracht - het volgende. In zulke gevallen wordt in het kader van het relativiteitsvereiste naast de statutaire doelstelling mede van belang geacht of zo’n belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat een belangenorganisatie zich niet met succes kan beroepen op de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt als zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht. Op de zitting heeft SKG toegelicht welke feitelijke werkzaamheden zij verricht, zoals werkzaamheden op het gebied van natuurbeheer. De Afdeling is van oordeel dat SKG zich kan beroepen op de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt.
30.6. Dit betekent dat de werkgeversvereniging, SBBN en anderen en [appellanten sub 2], gelet op artikel 8:69a van de Awb, zich niet met succes op een schending van de normen in de Wnb kunnen beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege hun beroepsgronden, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van hun beroepsgronden over dit onderwerp. De Afdeling bespreekt alleen de beroepsgronden die SKG en VHGHB over dit onderwerp hebben aangevoerd.
Betrekken andere plannen uit het maatregelenpakket in de passende beoordeling
31. SKG wijst erop dat de Afdeling in de uitspraken van 3 augustus 2022 de bestemmingsplannen "Fietsonderdoorgang Tongersestraat" en "Keulsebaan" en het samenhangende "besluit hogere waarde Wet Geluidshinder Capaciteitsuitbreiding Keulsebaan Boxtel" heeft vernietigd. De raad had volgens SKG niet uit mogen gaan van deze plannen bij de passende beoordeling en de stikstofberekeningen.
31.1. De gevolgen van stikstofdepositie door het plan zijn beschreven in de notitie ‘Effecten stikstof aanlegfase en gebruiksfase maatregelenpakket PHS Boxtel’ van Pouderoyen Tonnaer, dat als bijlage 14 bij de plantoelichting is gevoegd (de stikstofnotitie). In de stikstofnotitie staat dat de effecten van de aanleg en het gebruik van de VLK, in combinatie met de effecten van de andere onderdelen van het maatregelenpakket zijn onderzocht. Op basis van de AERIUS-berekening van 21 februari 2022 wordt in de stikstofnotitie geconcludeerd dat er na extern salderen geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is.
De bestemmingsplannen "Fietsonderdoorgang Tongersestraat" en "Keulsebaan", die onderdeel uitmaken van het maatregelenpakket zijn na de vaststelling van het bestemmingsplan vernietigd. In de enkele stelling van SKG dat in de stikstofnotitie ten onrechte de vernietigde bestemmingsplannen zijn betrokken, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de stikstofnotitie niet ten grondslag kon leggen aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad de gevolgen van de vernietiging van de bestemmingsplannen voor de conclusies uit de verkeersstudie heeft laten onderzoeken. De conclusie daarvan is dat de verkeerseffecten uit de verkeersstudie nog steeds worden onderschreven en de intensiteiten op de VLK niet significant anders worden. SKG heeft niet onderbouwd of geconcretiseerd dat de gevolgen van het bestemmingsplan die in de stikstofnotitie zijn onderzocht, zijn onderschat.
Het betoog slaagt niet.
Extern salderen
32. SKG en VHGHB betogen dat de raad fouten heeft gemaakt bij het extern salderen. De gemeente Boxtel heeft voor deze ontwikkeling een overeenkomst gesloten met een pluimveehouderij uit Oirschot. Die pluimveehouderij wordt beëindigd, zodat de stikstofdepositie die dat bedrijf veroorzaakte, kan worden weggestreept tegen de stikstofdepositie die de VLK zal veroorzaken. Volgens SKG en VHGHB zijn er fouten gemaakt bij het extern salderen.
In de eerste plaats moet volgens VHGHB gegarandeerd worden dat de maatregel resultaat heeft voordat de negatieve effecten van de VLK zich voor kunnen doen.
In de tweede plaats zou volgens SKG en VHGHB de stikstofruimte die beschikbaar komt door de intrekking van de natuurvergunning van de veehouderij, gebruikt moeten worden om de overbelasting van het Natura 2000-gebied tegen te gaan als instandhoudings- of passende maatregel in de zin van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. In het besluit had volgens hen inzichtelijk gemaakt moeten worden dat deze maatregel niet nodig is voor het behoud/het herstel of de verbetering van de habitattypen en de leefgebieden. Daarbij wijst SKG op gebreken in het memo ‘Bestemmingsplan VLK gemeente Boxtel’ van Pouderoyen Tonnaer van 23 oktober 2025 dat de raad bij het aanvullende verweerschrift van 29 oktober 2025 heeft gevoegd (het stikstofmemo). Met dit memo is nog steeds niet duidelijk waarom deze maatregel niet ingezet hoeft te worden als instandhoudings- of passende maatregel. Met het in algemene zin noemen van maatregelen is niet inzichtelijk gemaakt met welke andere maatregelen een daling van de stikstofdepositie voor het Natura 2000-gebied kan worden behaald. Er is niet inzichtelijk gemaakt dat er in de toekomst sprake zal zijn van een blijvende daling van stikstofdepositie. Verder wordt in het stikstofmemo alleen maar ingegaan op het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen, terwijl VHGHB een groter werkgebied heeft dan SKG waarin meerdere Natura 2000-gebieden liggen, zo betoogt SKG.
32.1. Uit artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat de raad in een voortoets moet onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet, op zichzelf, of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bij die beoordeling mogen de positieve gevolgen van inherente standaardonderdelen van de ruimtelijke ontwikkeling worden betrokken. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan kan dan worden vastgesteld als uit de passende beoordeling de zekerheid wordt verkregen dat de ruimtelijke ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 14 en 15.
32.2. In de plantoelichting, de passende beoordeling (bijlage 15 bij de plantoelichting) en in de stikstofnotitie is toegelicht dat het bestemmingsplan zonder mitigerende maatregelen leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de toename van de stikstofdepositie niet leidt tot significante effecten en daarmee tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Daarom worden mitigerende maatregelen in de vorm van extern salderen ingezet, zo heeft de raad toegelicht. De raad heeft verder toegelicht dat de gemeente Boxtel emissierechten van een agrarisch bedrijf heeft aangekocht. Doordat er extern gesaldeerd wordt, is er geen toename van depositie binnen het Natura 2000-gebied. Het voornemen leidt daarom zeker niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelen, zo heeft de raad toegelicht.
32.3. Over het betoog dat de stikstofruimte die beschikbaar komt door de intrekking van de natuurvergunning van de veehouderij, gebruikt zou moeten worden om de overbelasting van dat Natura 2000-gebied tegen te gaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, mogen zowel intern als extern salderen, onder voorwaarden, als mitigerende maatregelen in de passende beoordeling worden betrokken. Een van die voorwaarden is dat het salderen niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel. Salderen kan dus alleen als voldaan is aan het zogeheten additionaliteitsvereiste. Of is voldaan aan het additionaliteitsvereiste moet de raad beoordelen en motiveren. Deze motiveringsverplichting is een vergewisplicht. Dit betekent dat de raad aan zijn motiveringsverplichting kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen, het salderen niet nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Deze vergewisplicht geldt voor zowel intern als extern salderen.
32.4. De Afdeling stelt vast dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft beoordeeld en gemotiveerd of voldaan is aan het additionaliteitsvereiste. De passende beoordeling was daarmee niet volledig, waardoor het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berustte.
Het betoog slaagt in zoverre.
32.5. De raad heeft in het stikstofmemo dat hij bij het aanvullende verweerschrift heeft ingediend, toegelicht dat de beëindiging van de veehouderij niet ingezet hoeft te worden als instandhoudingsmaatregel of als passende maatregel. Zo wordt in het stikstofmemo verwezen naar het beheerplan voor het Natura 2000-gebied, waaruit onder meer volgt dat het behoud is geborgd en dat daar waar uitbreidings- en/of verbeterdoelen zijn, deze op termijn behaald kunnen worden. Ook staan in het stikstofmemo diverse redenen vermeld waardoor een daling van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied verwacht wordt. Verder heeft de raad op de zitting toegelicht dat er contact is gezocht met de provincie over de vraag of de maatregel niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel. De raad heeft toegelicht dat er met de beëindiging van de veehouderij zoveel stikstofruimte beschikbaar is gekomen, dat deze op verzoek van de provincie ook is ingezet voor de ontwikkeling van twee andere projecten. De raad heeft hiermee alsnog voldaan aan de vergewisplicht zoals deze geldt voor gemeenten. De Afdeling zal na de beoordeling van de overige beroepsgronden bespreken wat dit betekent voor de eindconclusie in deze zaak.
32.6. SKG heeft erop gewezen dat er in het stikstofmemo alleen is ingegaan op het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen terwijl er meerdere Natura 2000-gebieden liggen in het werkgebied van VHGHB. De Afdeling begrijpt dat SKG wil opkomen voor de belangen VHGHB. Daar kan SKG niet met succes voor opkomen. Omdat artikel 8:69a van de Awb in zoverre in de weg staat aan de vernietiging van het besluit, bespreekt de Afdeling dit betoog niet.
Het betoog slaagt niet.
- Aantasting en herbegrenzing Natuur Netwerk Brabant (NNB)
33. SKG betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte een verkeersbestemming heeft gegeven aan gronden die in het NNB liggen. Dit is in strijd met artikel 3.15 van de IOV. De raad heeft in de plantoelichting geschreven dat er niet of nauwelijks sprake is van een bosstrook en van feitelijke natuurwaarden, maar dit is volgens SKG onjuist. Op bijvoorbeeld satellietfoto’s is te zien dat er een volwaardige natuurstrook is langs de beek. De IOV bepaalt dat onder bepaalde omstandigheden aantasting van het NNB toegestaan kan worden, bijvoorbeeld via het nee, tenzij-principe uit artikel 3.19 van de IOV. De raad heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen afweging als bedoeld in artikel 3.19 van de IOV gemaakt hoeft te worden, omdat de VLK geen significante effecten heeft op het NNB. De raad heeft wel voor de zekerheid getoetst aan de voorwaarden van artikel 3.19 en is tot de conclusie gekomen dat aan die voorwaarden wordt voldaan. Volgens SKG klopt dat niet. Allereerst is het niet relevant of er wel of geen significante effecten op het NNB zijn. Ook wordt er volgens SKG niet voldaan aan de eisen van artikel 3.19 van de IOV.
In de eerste plaats is er volgens SKG geen sprake van een groot openbaar belang, zoals bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onder a, van de IOV. De raad heeft alleen het nut en de noodzaak van het totale maatregelenpakket beoordeeld, maar niet die van de VLK op zichzelf. Daarbij hangt de VLK onlosmakelijk samen met de andere deelprojecten uit het maatregelenpakket. Volgens SKG heeft de VLK op zichzelf alleen maar nadelige gevolgen, in ieder geval voor de bewoners van Kalksheuvel.
In de tweede plaats is er een alternatief beschikbaar. De doorgaande straat in Kalksheuvel zou afgesloten moeten worden voor vrachtverkeer, op die manier wordt het probleem van overlast ook opgelost. De rijtijd over de N65 en de A2 is ongeveer hetzelfde en er zijn voldoende manieren om een verbod effectief te handhaven.
Verder is er volgens SKG niet voldaan aan de in artikel 3.23, vijfde lid, van de IOV, vereiste compensatie. De voorwaardelijke verplichting in artikel 5.4.1 van de planregels had zo geformuleerd moeten worden dat deze is gekoppeld aan de aanleg van de weg in plaats van de ingebruikname. De schade aan het NNB wordt namelijk vooral toegebracht door de aanleg van de weg. De huidige formulering van de voorwaardelijke verplichting is ook in strijd met artikel 3.23, zesde lid, van de IOV. Dat artikel vereist bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied dat de compensatie is afgerond voordat de aantasting daadwerkelijk start. SKG wijst erop dat de laatvlieger en de gewone dwergvleermuis beschermde soorten zijn en dat zij hun leefgebied hebben bij het Smalwater. Ook broedt de steenuil er.
Verder voert SKG aan dat onduidelijk is of het NNB is herbegrensd voor deze ontwikkeling. Als er een herbegrenzingsbesluit is vastgesteld, is dat pas gebeurd nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en dan heeft de raad het niet kunnen betrekken in de afweging.
33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de VLK niet wordt aangelegd als de ingebruikname daarvan niet mogelijk is. De compenserende maatregelen kunnen niet genomen worden voordat de weg wordt aangelegd, omdat het hele gebied gelijktijdig wordt ingericht. De compensatie vindt plaats in hetzelfde gebied waar de VLK wordt aangelegd.
33.2. In het bestemmingsplan steekt de VLK ter hoogte van de straat Colenhoef het Smalwater over. De beek maakt onderdeel uit van het NNB, zodat de artikelen 3.15 en verder van de IOV van toepassing zijn.
In de plantoelichting staat dat de VLK niet leidt tot significante effecten op het NNB, maar dat voor de volledigheid is getoetst aan het ‘nee, tenzij-principe’ in artikel 3.17, eerste lid, onder b en artikel 3.19 van de IOV. SKG wijst er terecht op dat het niet relevant is of de effecten op het NNB wel of niet significant zijn: hier maakt de IOV geen onderscheid in. Maar omdat de raad wel heeft getoetst aan het ‘nee, tenzij-principe’, maakt dit nog niet dat er een gebrek zit in het bestemmingsplan.
Eén van de voorwaarden die artikel 3.19 van de IOV stelt voor een ontwikkeling in het NNB, is dat er sprake moet zijn van een groot openbaar belang. De raad heeft in de plantoelichting verwezen naar de onderbouwing van het nut en de noodzaak van de VLK als zelfstandige maatregel en als onderdeel van het maatregelenpakket. In 18.2 heeft de Afdeling geconcludeerd dat de raad voldoende heeft gemotiveerd wat het nut en de noodzaak zijn van de VLK als ontwikkeling op zichzelf. Ook heeft de Afdeling geconcludeerd dat de VLK op zichzelf kan bijdragen aan het verbeteren van de verkeerssituatie in de omgeving. De Afdeling ziet in het betoog van SKG geen aanleiding om in dit kader daar anders over te oordelen. De raad mocht zich ook op het standpunt stellen dat er sprake is van een groot openbaar belang zoals bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onder a, van IOV.
Een andere voorwaarde die artikel 3.19 stelt, is dat er voor de ontwikkeling geen alternatieve locatie voorhanden is buiten het NNB. De raad heeft in de plantoelichting verwezen naar de onderbouwing op het proces om tot de uiteindelijke (tracé)keuze te komen. Over de door SKG genoemde optie om de doorlopende straat in Kalksheuvel af te sluiten voor vrachtverkeer heeft de Afdeling in 18.2 geoordeeld dat de raad toereikend heeft gemotiveerd waarom dat onvoldoende oplossend vermogen voor de verkeers(veiligheids-) en leefbaarheidsproblemen in Kalksheuvel heeft en waarom dit geen alternatief is voor de VLK. Het betoog van SKG geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan op dit punt in strijd is met artikel 3.19, eerste lid, onder c, van de IOV.
De Afdeling ziet verder in wat SKG heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 5.4.1 van de planregels in strijd is met artikel 3.23 van de IOV. Verder volgt uit de notitie van Kragten van 18 februari 2025, die de raad heeft ingediend bij het eerste aanvullende verweerschrift, dat de plek waar de VLK het Smalwater oversteekt, geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Uit de toelichting op artikel 2.23, vijfde lid, van IOV volgt dat als een aantasting direct het leefgebied van een bedreigde soort ernstig en blijvend verstoort, de vervangende biotoop eerst door de soort in gebruik moet worden genomen voordat met de aantastende ingreep mag worden gestart. In de notitie van Kragten is over de steenuil geconcludeerd dat de VLK niet leidt tot een directe aantasting van nestplaatsen en essentieel foerageergebied. Naar het oordeel van de Afdeling leidt de ontwikkeling daarom niet tot een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, zoals bedoeld in artikel 3.23, zesde lid, van de IOV.
Ten slotte overweegt de Afdeling dat op de zitting met partijen is besproken dat de herbegrenzing van het NNB heeft plaatsgevonden in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 september 2023. Op grond van artikel 6.2, vijfde lid, van de IOV, had de raad moeten wachten met de vaststelling van het bestemmingsplan totdat het herbegrenzingsbesluit werd vastgesteld, maar de Afdeling ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld.
Het betoog slaagt niet.
- Uitvoerbaarheid Wnb: steenuilen
34. [appellanten sub 2] en SKG betogen dat de VLK het leefgebied van de steenuil ontoelaatbaar aantast, bijvoorbeeld doordat zij een aanzienlijke kans hebben om verkeersslachtoffer te worden. In de plantoelichting en de bijlagen daarbij wordt veel aandacht besteed aan de steenuil. In het rapport van Ecologica van 11 mei 2018 staat dat het niet gelukt is om vast te stellen dat op die locatie een of meerdere (broed)paartjes huizen. Volgens SKG hebben er ieder jaar, met uitzondering van 2018, steenuilen gebroed op Kalksheuvel 26. Volgens SKG heeft de raad onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten van het bestemmingsplan op het leefgebied van de steenuil. Hierdoor staat onvoldoende vast dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is in het kader van de Wnb. De raad heeft bij aanvulling van het verweerschrift het memo "Toelichting vervolgstappen voortkomend uit nader onderzoek beschermde soorten" van Kragten van 18 februari 2025 gevoegd. Hieruit volgt dat er maatregelen getroffen kunnen worden om te voorkomen dat steenuilen verkeersslachtoffer worden. Volgens SKG zijn die maatregelen niet voldoende. Daarbij wordt in het memo gewezen op de mogelijkheid om een compensatiegebied bij Tongeren 50 in te richten, maar dat is ten onrechte niet gewaarborgd in het bestemmingsplan, zo betoogt SKG.
34.1. De raad mag het plan niet vaststellen voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De raad heeft meerdere ecologische onderzoeken laten uitvoeren, waaronder het memo van Kragten. Hieruit volgt dat niet verwacht wordt dat deze bermen een bijzondere aantrekkende werking op de steenuil zal hebben, omdat er veel optimale alternatieven in de omgeving zijn om te foerageren. De verwachting is dat de steenuil de weg zal mijden. Daarnaast kunnen er diverse maatregelen getroffen kunnen worden om negatieve effecten voor de steenuil te voorkomen. Zo worden geschikte uitkijkposten geplaatst en worden zitpalen op grotere afstand geplaatst. Ook moet een wildraster op enkele meter afstand van de weg worden geplaatst. Zo wordt voorkomen dat vogels die op het wildraster zitten door de zuigende werking van het verkeer voor voertuigen belanden. De conclusie is dat negatieve effecten op de steenuil voorkomen kunnen worden. Het zal niet nodig zijn om een ontheffing aan te vragen, zo volgt uit het memo.
De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] en SKG betogen, geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op dit punt op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De betogen slagen niet.
- Uitvoerbaarheid Wnb: bescherming overige soorten
35. [appellanten sub 2] betogen dat de VLK het natuurgebied Het Eiland zal aantasten. Dit natuurgebied is rechtstreeks verbonden met het Natura 2000-gebied en er wonen veel beschermde soorten. [appellanten sub 2] hebben zelf een klein onderzoek gedaan om dit aan te tonen. Een ecoloog van de gemeente die onderzoek deed naar natuurkwesties rondom de VLK, was volgens hen onder de indruk van de diversiteit in het gebied. De raad had meer onderzoek moeten doen naar de natuurwaarden in het gebied, omdat de onderzoeken waar de raad zich op heeft gebaseerd verouderd zijn. [appellanten sub 2] wijzen onder meer op vleermuisroutes die door het gebied lopen. Er gaan ter hoogte van Tongeren 50 verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. In het MER is ook geconcludeerd dat voor het gekozen traject een zeer negatief eindoordeel geldt voor beschermde soorten. Als de VLK wordt aangelegd, dan zouden er voorzieningen getroffen moeten worden zodat wild niet zomaar de weg over kan steken, zo brengen [appellanten sub 2] naar voren.
35.1. De Afdeling stelt voorop dat, hoewel het mogelijk is dat [appellanten sub 2] beschermde soorten hebben waargenomen, het natuurgebied Het Eiland zelf geen beschermde juridische status heeft. De eventuele soorten die voorkomen in het gebied, worden mogelijk wel beschermd. Maar de raad heeft in het MER onderzocht of er mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. In het MER is geconcludeerd dat het gekozen alternatief weliswaar een zeer negatief effect heeft op beschermde soorten (vleermuizen en broedvogels), maar dat de negatieve effecten voorkomen kunnen worden met mitigerende maatregelen. Hierdoor kan het eindoordeel uitkomen op neutraal. De ingreep is daarom niet in strijd met de Wnb en dus uitvoerbaar, zo staat in het MER. Wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies in het MER. Ook op dit punt heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand in zoverre niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingplan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Lichthinder
36. [appellanten sub 2] betogen dat het bestemmingsplan zal leiden tot lichthinder bij hun woning en in het Natura 2000-gebied. De VLK gaat bij Den Ekker over het spoor. Omdat het spoor hoger ligt dan de omgeving, zullen de lichten van het verkeer vol op de woning van [appellanten sub 2] schijnen. Dit zal vooral ’s avonds en in de winter veel overlast opleveren. De verlichting zal ook de nachtrust verstoren van de nachtdieren die in de omgeving leven, zoals nachtinsecten en vleermuizen. [appellanten sub 2] verwijzen ter onderbouwing hiervan naar diverse wetenschappelijke onderzoeken.
36.1. Op het punt dat [appellanten sub 2] hebben betoogd dat de VLK kan leiden tot lichthinder bij hun woning, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat er geen specifieke wetgeving is over lichthinder. Het zou kunnen dat [appellanten sub 2] in de nieuwe situatie auto’s zien rijden, maar de koplampen van de auto’s zullen volgens de raad geen onaanvaardbare hinder veroorzaken. De raad wijst er hierbij onder meer op dat de lichtbundel van koplampen naar beneden gericht is en op de afstand tussen de woning van [appellanten sub 2] en de VLK. Daarbij wil de raad in het kader van landschappelijke inpassing beplanting plaatsen ten zuiden van de bocht, aan de zuidkant van het spoor. Volgens de raad zal er bij de woning van [appellanten sub 2] dus geen onevenredige lichthinder zijn. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan op dit punt een gebrek bevat.
Op het punt dat [appellanten sub 2] hebben betoogd dat licht van de VLK de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied kan aantasten, overweegt de Afdeling als volgt. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000 gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De afstand tussen de woning van [appellanten sub 2] en het Natura 2000-gebied is ongeveer 1,2 km, zodat er geen sprake is van verwevenheid. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat daarom in de weg aan de vernietiging van het besluit. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.
Het betoog slaagt niet.
Financiële uitvoerbaarheid
37. De werkgeversvereniging en SBBN en anderen betogen dat het onzeker is of alle maatregelen uit het maatregelenpakket uitgevoerd kunnen worden. Zij wijzen erop dat de raad op 30 juni 2022 is geïnformeerd over een financieel tekort van € 18 miljoen.
37.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de sluiting van de dubbele spoorwegovergang en de aanleg van de VLK prioriteit hebben en dat daarvoor budget beschikbaar is.
37.2. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
Het betoog van de werkgeversvereniging en SBBN en anderen gaat over de uitvoering van het maatregelenpakket als geheel, niet over het bestemmingsplan dat nu ter beoordeling staat. Dat er voor de sluiting van de dubbele spoorwegovergang en de aanleg van de VLK voldoende budget beschikbaar is, staat niet ter discussie.
Overigens heeft de raad in het aanvullende verweerschrift toegelicht dat de partners in december 2023 overeenstemming hebben bereikt over het financieel tekort en de reikwijdte van het maatregelenpakket. Het doel is nog steeds om het maatregelenpakket in zijn geheel uit te voeren en daar is geld voor beschikbaar gesteld.
Het betoog slaagt niet.
DE BEROEPEN TEGEN DE VERKEERSBESLUITEN
Toetsingskader bij verkeersbesluiten
38. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Het college moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb).
Motivering verkeersbesluiten
39. De holding en anderen betogen dat het verkeersbesluit Tongersestraat niet goed is gemotiveerd. In de motivering wordt verwezen naar het bestemmingsplan "Keulsebaan", maar dat bestemmingsplan is vernietigd met de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2263). De motivering is hiermee vervallen.
39.1. Hoewel in de motivering van het verkeersbesluit Tongersestraat inderdaad wordt verwezen naar deelproject 4 (de capaciteitsuitbreiding van de Keulsebaan), maakt de vernietiging van het bestemmingsplan "Keulsebaan" niet dat de hele motivering van het verkeersbesluit nu vervallen is. Dat is alleen al zo, omdat het college in de motivering ook op andere punten is ingegaan. Zoals verder ook volgt uit 18.2, hebben de besluiten die hier ter beoordeling staan hun eigen specifieke doelstellingen. Dit is ook toegelicht in de motivering van het verkeersbesluit Tongersestraat. Overigens hebben de raad en het college toegelicht dat zij nog steeds van plan zijn om het hele maatregelenpakket uit te voeren.
Het betoog slaagt niet.
40. Boxly en Rogely betogen dat de gecoördineerde besluitvorming voor onduidelijkheid heeft gezorgd in de motivering van de verkeersbesluiten. Omdat de planregels en de verbeelding geen duidelijkheid geven over de afsluiting van de overwegen, maar er in de plantoelichting wel op in wordt gegaan, lijkt het of de motivering van de verkeersbesluiten te vinden is in de plantoelichting. Boxly en Rogely wijzen er daarnaast op dat de bekendmakingen van de verkeersbesluiten alleen de kaartjes van de locaties, de tekst uit het verkeersbesluit en een verwijzing naar de bekendmaking van het bestemmingsplan bevatten. Volgens Boxly en Rogely volgt daaruit dat er niet meer documenten ten grondslag liggen aan de besluitvorming en dat is onvoldoende.
40.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de gronden van de dubbele spoorwegovergang geen onderdeel uit hoeven te maken van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is nodig om het alternatief voor de sluiting van de dubbele spoorwegovergang, namelijk de VLK, planologisch te borgen. Uit de verkeersbesluiten blijkt voldoende duidelijk waar deze toe dienen, zo stelt het college.
40.2. De Afdeling ziet niet in waarom een verwijzing in de plantoelichting naar de verkeersbesluiten ertoe zou leiden dat het lijkt dat de motivering van die verkeersbesluiten moet worden gezocht in de plantoelichting. De verkeersbesluiten bevatten allebei een motivering waarin wordt toegelicht waar de verkeersbesluiten toe dienen.
De Afdeling kan het betoog niet volgen dat in de publicaties van de verkeersbesluiten onvoldoende stukken zijn opgenomen. Boxly en Rogely hebben niet onderbouwd wat er hier niet klopt of ontbreekt.
Het betoog slaagt niet.
41. Boxly en Rogely betogen dat het onduidelijk is wat er wordt bedoeld met gemotoriseerd en langzaam verkeer. Omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd, is het niet duidelijk waar bijvoorbeeld landbouwvoertuigen of 45 km-voertuigen onder vallen en of de afsluiting op hen van toepassing is.
41.1. Het college heeft hierover toegelicht dat bij de dubbele spoorwegovergang verkeersbord C12 (gesloten voor alle motorvoertuigen) zal worden geplaatst. In het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is gedefinieerd wat wordt verstaan onder motorvoertuigen: "alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen". Op basis hiervan is volgens het college duidelijk welk verkeer wel/niet zal worden toegestaan. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersbesluit Tongersestraat op dit punt een gebrek bevat. Het college hoefde dit niet nader toe te lichten in de verkeersbesluiten.
Het betoog slaagt niet.
Doelstellingen Wvw
42. De holding en anderen, SBBN en anderen en Boxly en Rogely betogen dat het verkeersbesluit Tongersestraat in strijd is met de doelstellingen uit de Wvw.
De holding en anderen en Boxly en Rogely wijzen erop dat als er een verkeersbesluit wordt genomen, er moet worden aangegeven welke belangen uit artikel 2 van de Wvw daaraan ten grondslag liggen. In het verkeersbesluit Tongersestraat staat dat het is genomen uit het oogpunt van (i) het verzekeren van de veiligheid op de weg (ii) het beschermen van de weggebruikers en passagiers, (iii) het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en (iv) het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden. Dit is volgens de holding en anderen niet specifiek genoeg. Volgens de holding en anderen is de verkeersveiligheid niet in het geding. Ook is volgens hen de enige reden die ten grondslag ligt aan het verkeersbesluit, dat Prorail het spoor vaker wil gebruiken, maar dat is geen belang in de zin van artikel 2 van de Wvw. Dat geldt ook voor de leefbaarheid en het uitvoeren van de voorkeursbeslissing PHS van de minister.
Boxly en Rogely betogen dat de belangen die worden genoemd in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van de Wvw niet zijn betrokken in de belangenafweging. Deze belangen zijn op geen enkele manier verbonden aan de besluitvorming en de motivering.
Boxly en Rogely betogen daarnaast dat de motivering voor de afsluiting van de dubbele spoorwegovergang in feite neerkomt op de vaststelling van een probleem en de keuze voor een voorkeursvariant. Er wordt niet gemotiveerd waarom de afsluiting van de dubbele spoorwegovergang noodzakelijk is. Dat de financiering beschikbaar is, is niet relevant. De noodzaak volgt ook niet uit de voorkeursvariant, die niet is onderbouwd. Voor de motivering wordt alleen verwezen naar het GVVP uit 2008 en het maatregelenpakket. Volgens Boxly en Rogely is dit een cirkelredenering. Daarbij gaat het GVVP 2008 ervan uit dat de spoorwegovergang in stand wordt gelaten.
SBBN en anderen betogen dat de besluiten ervoor zorgen dat de verkeersdruk wordt verplaatst van het centrum en Kalksheuvel naar Boxtel-Noord. Dit is volgens hen in strijd met de Wvw, die de verkeersveiligheid en de woonbelangen in Boxtel-Noord beschermt.
42.1. De betogen van de holding en anderen, SBBN en anderen en Boxly en Rogely geven geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersbesluit de Tongersestraat de belangen die worden genoemd in artikel 2 van de Wgv niet dient. Het is niet noodzakelijk dat een verkeersbesluit ingaat op alle belangen die worden genoemd in artikel 2. Het college heeft in de motivering toegelicht welke verkeersproblematiek zich voordoet rondom de dubbele spoorwegovergang. Hierover staat er dat de spoorwegovergang al jarenlang voor veel vertraging van het verkeer zorgt, wat ook leidt tot knelpunten op het gebied van leefbaarheid en verkeersveiligheid. Het college verwacht dat het knelpunt groter zal worden omdat er meer personen- en goederenvervoer op het spoor zal komen en ook het autoverkeer zal toenemen. Ook is toegelicht dat de afsluiting van de dubbele spoorwegovergang één van de onderdelen is van het maatregelenpakket en dat de verschillende maatregelen gefaseerd in uitvoering moeten worden gebracht, zodat een goede verkeersafwikkeling binnen de gemeente Boxtel gewaarborgd blijft. Daarmee heeft het college voldoende uiteengezet dat het verkeersbesluit strekt tot bescherming van de belangen die worden genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw.
De betogen slagen niet.
Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voordat het verkeersbesluit in werking kan treden?
- Volgorde verkeersbesluit Tongersestaat ten opzichte van VLK
43. Boxly en Rogely betogen dat in de motivering van het verkeersbesluit Tongersestraat wordt opgemerkt dat dit besluit hoort in de eerste fase, maar tegelijk staat er dat de sluiting pas gaat plaatsvinden als de VLK is aangelegd en dat het uitgangspunt is om pas tot fysieke sluiting over te gaan als ook deelproject 3 en 4 (maatregelen in Tongeren en de verbreding van de Keulsebaan) zijn uitgevoerd. Boxly en Rogely zien de noodzaak niet om nu het verkeersbesluit vast te stellen, terwijl dat kennelijk bedoeld is als laatste fase en de uitvoering afhankelijk is van besluiten die nog niet vaststaan.
43.1. Uit de motivering van het verkeersbesluit volgt dat de sluiting van de dubbele spoorwegovergang en de VLK de twee prioritaire projecten zijn van het maatregelenpakket. Ook is in de motivering toegelicht dat de verschillende deelprojecten van het maatregelenpakket gefaseerd worden uitgevoerd om een goede verkeersafwikkeling binnen de gemeente Boxtel te waarborgen. De Afdeling ziet gelet op deze toelichting geen aanleiding om te oordelen dat het college moest wachten met het nemen van het verkeersbesluit.
Het betoog slaagt niet.
- Opschortende voorwaarde
44. De werkgeversvereniging, SBBN en anderen en de holding en anderen betogen dat de opschortende voorwaarde in de verkeersbesluiten niet klopt.
In de eerste plaats is volgens de werkgeversvereniging en SBBN en anderen de opschortende voorwaarde in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het onduidelijk is wanneer het rechtsgevolg intreedt. Uit de verkeersbesluiten en het bestemmingsplan volgt dat de dubbele spoorwegovergang pas wordt gesloten als het alternatief is uitgevoerd. Het is niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld, want er wordt verwezen naar zowel de ingebruikname van de VLK als de uitvoering van alle deelprojecten. De holding en anderen betogen in dit verband dat de opschortende voorwaarde in strijd is met het bestuursakkoord van 11 juni 2015. Hierin is afgesproken dat het verkeersbesluit afhankelijk is van de overige deelprojecten. In de opschortende voorwaarde had daarom geregeld moeten worden dat alle deelprojecten, of in ieder geval de opwaardering van de Keulsebaan, zijn uitgevoerd voordat de dubbele spoorwegovergang gesloten wordt. De werkgeversvereniging en SBBN en betogen daarnaast dat het niet duidelijk is wanneer de VLK wordt opengesteld en wat de status is van het verkeersbesluit als het bestemmingsplan voor de VLK vernietigd wordt.
In de tweede plaats verschillen de dicta van de verkeersbesluiten van elkaar. Volgens de werkgeversvereniging en SBBN en anderen ontbreekt het woord ‘tenminste’ in het verkeersbesluit Kapelweg. Maar ook als dat er wel had gestaan, was dat te beperkt geweest, want eigenlijk had hier vermeld moeten worden dat het verkeersbesluit pas in werking treedt als alle noodzakelijke verkeersmaatregelen uitgevoerd zijn, waaronder, maar niet uitsluitend, de verbreding van de Keulsebaan de aanleg van een tunnel voor gemotoriseerd en fietsverkeer, zo betogen de werkgeversvereniging en SBBN en anderen.
44.1. Artikel 2 in het verkeersbesluit Tongersestraat luidt:
"dit besluit in werking te laten treden zodra (ten minste) de Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg is opengesteld voor het verkeer."
Artikel 2 in het verkeersbesluit Kapelweg luidt:
"dit besluit in werking te laten treden zodra de Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg is opengesteld voor het verkeer."
44.2. Het college mocht ervoor kiezen om een opschortende voorwaarde op te nemen voor de inwerkingtreding van de verkeersbesluiten. Dit is op zichzelf niet in strijd met artikel 3:40 van de Awb. In beide verkeersbesluiten is bepaald dat die pas in werking treden nadat de VLK is opengesteld voor het verkeer. Ten opzichte van het verkeersbesluit Tongersestraat ontbreekt in artikel 2 van het verkeersbesluit Kapelweg inderdaad de zinsnede "(ten minste)", maar dit maakt niet dat het verkeersbesluit Kapelweg een gebrek bevat. Uit de verkeersbesluiten blijkt duidelijk wanneer zij in werking treden. Anders gezegd: met beide formuleringen is aan de voorwaarde voldaan zodra de Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg is opengesteld voor het verkeer. Dat ‘ten minste’ heeft dus geen extra beperkende betekenis.
In de verkeersbesluiten hoefde niet vastgelegd te worden dat zij pas in werking treden nadat ook andere verkeersmaatregelen zijn getroffen. De Afdeling kan de toelichting van het college volgen dat de overige deelprojecten zorgen voor een verdere verbetering van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid in Boxtel, maar dat het niet noodzakelijk is om die uit te voeren voordat de dubbele spoorwegovergang wordt gesloten. Voor de sluiting van de dubbele spoorwegovergang is de koppeling aan de aanleg van de VLK volgens het college wel nodig, omdat die de belangrijkste maatregel is om de negatieve effecten van de sluiting van de dubbele spoorwegovergang te compenseren.
De betogen slagen niet.
- Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening
45. [appellante sub 1] betoogt dat het verkeersbesluit in strijd is met de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. De veiligheidsregio heeft in de adviezen van 26 juni 2016 en 2 maart 2018 ingestemd met het besluit, maar daarbij de voorwaarden gesteld dat de bermen aan minimaal één zijde over de volledige lengte van het traject verhard worden met grasstenen of een gelijkwaardig product én dat er aan één zijde van de weg een parkeerverbod wordt ingesteld. In het verkeersbesluit had daarom geborgd moeten worden dat aan deze twee voorwaarden wordt voldaan. In de zienswijzenota staat wel dat de weg aan één zijde wordt verhard, maar dat is volgens [appellante sub 1] onvoldoende.
Ook met de borging van deze voorwaarden wordt er niet aan de beleidsregels voldaan. Uit het beleid volgt dat de feitelijke situatie omschreven kan worden als ‘situatie 5’. Er hadden daarom extra voorzieningen moeten worden aangebracht. Dit zou bijvoorbeeld een keerlus kunnen zijn, maar ook dat had dan als voorwaardelijke verplichting in het verkeersbesluit opgenomen moeten worden, aldus [appellante sub 1].
45.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het perceel van [appellante sub 1] bereikbaar blijft en dat de versmalling van de weg pas plaatsvindt voorbij haar perceel. Op het punt dat [appellante sub 1] een beroep doet op de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening, staat volgens het college het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het besluit. Op 2 maart 2018 heeft de veiligheidsregio een aanvullend advies uitgebracht over de verkeersbesluiten (bijlage 16 bij de plantoelichting), waarbij aan deze beleidsregels is getoetst. Daarin is geconcludeerd dat er geen bezwaar is tegen de sluiting van de dubbele spoorwegovergang.
45.2. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de maatregelen die in het advies genoemd worden, getroffen zullen worden. De verharding aan de zijkant van de weg zal worden verbreed en er zal een parkeerverbod worden ingesteld aan één kant van de weg. Het college heeft ook toelicht dat hier afspraken over zijn gemaakt met [appellante sub 1]. [appellante sub 1] heeft dit niet weersproken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersbesluit had moeten voorzien in deze maatregelen.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
- Bedrijfsvoering Boxly en Rogely
46. Boxly en Rogely betogen dat het verkeersbesluit hun bedrijfsvoering zal schaden. Boxly en en Rogely exploiteren een drankenhandel en slijterij vlakbij de dubbele spoorwegovergang. De besluiten tasten de doorstroming van het verkeer aan en de bereikbaarheid van de bedrijfslocatie loopt sterk terug. Volgens Boxly en Rogely zal een groot deel van de klanten het er niet voor over hebben om om te rijden, waardoor zij naar een andere winkel zullen gaan. Een groot deel van de klanten is afkomstig van de overzijde van de spoorlijnen, zoals het industrieterrein Ladonk. Daarnaast komen veel klanten uit Esch en Lennisheuvel. Ook de leveranciers moeten straks omrijden en zij zullen de kosten daarvan doorberekenen aan Boxly en Rogely. Ook de productiviteit van Boxly en Rogely zal afnemen, omdat hun chauffeurs moeten omrijden. Bovendien zullen de percelen hun waarde verliezen en onverkoopbaar worden. In de onderbouwing stelt het college dat de omrijtijden niet onevenredig zijn, maar dit is niet onderzocht of geconcretiseerd, zo betogen Boxly en Rogely.
46.1. De Afdeling stelt voorop dat door de afsluiting van de dubbele spoorwegovergang de bereikbaarheid van Boxly en Rogely inderdaad afneemt en dat dit gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering. Maar zoals het college ook heeft toegelicht, is het verkeersbesluit genomen ten behoeve van het algemeen belang en is het mogelijk dat dat op individueel niveau nadelige gevolgen kan hebben. Het college heeft daarnaast toegelicht dat sommige klanten van Boxly en Rogely inderdaad moeten omrijden, maar die omrijtijd is beperkt tot 1 of 2 minuten. Dat Boxly en Rogely uitgaan van langere omrijtijden is omdat zij hierbij in de bestaande situatie geen rekening houden met de kans dat de dubbele spoorwegovergang gesloten is. De Afdeling ziet gelet op de toelichting van het college geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt een gebrek bevat. Het college mocht concluderen dat de beperkte gevolgen die het besluit zal hebben voor de bedrijfsvoering van Boxly en Rogely niet onevenredig zijn ten opzichte van het algemeen belang dat met de maatregelen gediend wordt. Wat de eventueel nadelige invloed van het verkeersbesluit op de waarde van de bedrijfspercelen van Boxly en Rogely betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan en dat vooraf voorzien had moeten worden in een schaderegeling.
Het betoog slaagt niet.
- Bedrijfsvoering [edrijf]
47. De holding en anderen betogen dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen bij het verkeersbesluit. De holding is de eigenaar van [bedrijf] Het autobedrijf is vlak bij de dubbele spoorwegovergang gevestigd. Doordat de dubbele spoorwegovergang gesloten wordt, zal het autobedrijf minder goed bereikbaar zijn. De belangen van het autobedrijf zijn niet meegewogen, zo betogen de holding en anderen.
47.1. De Afdeling stelt voorop dat door de sluiting van de dubbele spoorwegovergang de bereikbaarheid van het autobedrijf inderdaad afneemt en dat dit gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering. Maar zoals het college ook heeft toegelicht, is het verkeersbesluit onder meer genomen om de bereikbaarheid van het bedrijventerrein Ladonk, waar het autobedrijf op gevestigd is, te verbeteren. Wel is het mogelijk dat op individueel niveau nadelige gevolgen kunnen ontstaan als gevolg van het verkeersbesluit. Verder heeft het college toegelicht dat sommige klanten van het autobedrijf inderdaad moeten omrijden. Voor verkeer van en naar de aansluiting A2 Boxtel-Noord en verder via de noordelijke route neemt de reisafstand met ongeveer 1,5 km toe. Maar volgens het college is de reistijd vergelijkbaar met die in de huidige situatie, afhankelijk van het tijdstip en hoelang de overwegen gesloten zijn. Voor de route van en naar Haaren, ten noordwesten van Boxtel, en verder nemen de reistijd en -afstand af met een paar honderd meter en enkele minuten. Gelet op deze toelichting mocht het college concluderen dat de belangen van de holding en anderen, gelet op de beperkte gevolgen, niet onevenredig zijn ten opzichte van het algemeen belang dat met de maatregelen gediend wordt.
Het betoog slaagt niet.
WAT VERDER IS AANGEVOERD
Verkeersbesluit door de raad
48. De werkgeversvereniging en SBBN en anderen betogen dat de raad op 12 juli 2022 ook heeft besloten tot sluiting van de spoorwegovergangen op de Kapelweg en de Tongersestraat. Dit is volgens de werkgeversvereniging verwarrend, in strijd met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
48.1. Uit het besluit van de raad van 12 juli 2022 blijkt duidelijk dat de raad geen verkeersbesluiten heeft vastgesteld, maar dat de raad kennis heeft genomen van die besluiten, zoals het college ook heeft toegelicht.
De betogen slagen niet.
Herhalen en inlassen zienswijze
49. De werkgeversvereniging en [appellanten sub 2] betogen dat de gronden die zij hebben aangevoerd in hun zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan, hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. De werkgeversvereniging betoogt daarnaast dat het beroepschrift dat zij heeft ingediend in de zaak die ging over een eerdere versie van de besluiten in deelproject 1 en 2, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
49.1. Waar de werkgeversvereniging en [appellanten sub 2] voor het overige verzoeken om de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast hun beroep te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzenota is ingegaan op die zienswijzen. De werkgeversvereniging en [appellanten sub 2] hebben in hun beroepschriften geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen onjuist of onvolledig zou zijn.
Over het betoog van de werkgeversvereniging dat het beroepschrift dat zij heeft ingediend in de zaak die ging over de een eerdere versie van de besluiten in deelproject 1 en 2, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, overweegt de Afdeling dat in de uitspraak van die zaak (ECLI:NL:RVS:2019:2765) op de gronden in dat beroepschrift is ingegaan. De werkgeversvereniging heeft niet uitgelegd waarom die ‘oude’ beroepsgronden nog steeds laten zien dat de besluiten waarover de Afdeling nu oordeelt niet deugen.
De betogen slagen niet.
Overige argumenten
50. Voor het overige wijst de Afdeling erop dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb niet volgt dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Al het overige wat is aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van een van de besluiten.
OVERSCHRIJDING REDELIJKE TERMIJN
51. [appellante sub 1], [appellanten sub 2], Boxly en Rogely en SKG hebben verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak oordelen over dat verzoek. Het onderzoek zal daarvoor worden heropend. Aan die zaak is het nummer 202205747/3/R2 toegekend.
CONCLUSIE
52. De beroepen tegen de twee verkeersbesluiten zijn ongegrond. De beroepen van de werkgeversvereniging, [appellanten sub 2], SBBN en anderen en Boxly en Rogely tegen het bestemmingsplan zijn ongegrond. De beroepen van SKG en VHGHB tegen het bestemmingsplan zijn gegrond, gelet op wat is overwogen onder 32.4.
53. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van dat bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in 32.3, ontbrak weliswaar op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan de motivering over het additionaliteitsvereiste waardoor de passende beoordeling niet volledig was en het besluit op dit punt niet op een deugdelijke motivering berustte, maar in de stikstofnotitie heeft de raad alsnog voldaan aan deze vergewisplicht. Het gebrek is hiermee hersteld. Ook hebben SKG en VHGHB kunnen reageren op de aangevulde motivering, wat SKG ook gedaan heeft in de nadere memorie van 14 november 2025.
54. De raad en het college moeten de proceskosten van SKG en VHGHB vergoeden. De raad en het college hoeven de proceskosten van de andere partijen niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen ongegrond voor zover zij zijn gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel van 14 juni 2022 (verkeersbesluit Tongersestraat);
II. verklaart de beroepen ongegrond voor zover zij zijn gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel van 14 juni 2022 (verkeersbesluit Kapelweg);
III. verklaart de beroepen van Werkgeversvereniging Boxtel en Omgeving, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], Stichting Bewonersbelangen Boxtel-Noord en anderen, Boxly Drankenhandel B.V. en Beheer en Belegging Rogely B.V. ongegrond voor zover zij zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 12 juli 2022 (bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022");
IV. verklaart de beroepen van Stichting Kalksheuvel Groen de betere weg en Vereniging Het Groene Hart Brabant, mede namens Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel, gegrond voor zover zij zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 12 juli 2022 (bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022");
V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 12 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022";
VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 12 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022" in stand blijven;
VII. veroordeelt de raad van de gemeente Boxtel tot vergoeding van bij voor Stichting Kalksheuvel Groen de betere weg in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.923,45, waarvan € 1.868,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
VIII. gelast dat de raad van de gemeente Boxtel aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van
- € 365,00 voor Stichting Kalksheuvel Groen de betere weg;
- € 365,00 Vereniging Het Groene Hart Brabant, mede namens Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IX. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 202205747/3/R2 ter voorbereiding van een uitspraak over de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier.
w.g. Jurgens
voorzitter
w.g. Schellingerhout
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
980
Bijlage:
Wvw:
Artikel 2 luidt:
"1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
(…)"
IOV (zoals deze gold op het moment dat het bestemmingsplan werd vastgesteld):
Artikel 3.15, eerste lid, luidt:
"Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:
a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;
b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;
c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe."
Artikel 3.17, eerste lid, luidt:
"1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor:
a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18;
b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19;
c. de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20;
d. een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.21."
Artikel 3.19 luidt:
"1. Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat:
a. er sprake is van een groot openbaar belang;
b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant;
c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen;
d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt;
e. er bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;
f. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.
2. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat:
a. gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten;
b. een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen;
c. tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen.
3. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek."
Artikel 3.22 luidt:
"1. De verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door:
1. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23;
2. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 3.24.
2. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling:
a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;
b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak;
c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak;
d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk;
e. bij verstoring van natuur: maatwerk.
Artikel 3.23, zesde lid luidt:
"In aanvulling op het vijfde lid, wordt bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start."
Artikel 6.2, vijfde lid, luidt:
"Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing."
Planregels van het bestemmingsplan "Verbindingsweg Ladonk-Kapelweg 2022":
Artikel 5.4.1 luidt:
"Het is niet toegestaan de gronden en bouwwerken in gebruik te nemen of in gebruik te laten nemen als bedoeld in artikel 5.1 onder a voordat:
a. de compenserende maatregelen zijn gerealiseerd en deze in stand worden gehouden conform Bijlage 1.
b. de afschermende beplanting ter bescherming van de steenuil is gerealiseerd en in stand wordt gehouden binnen de bestemming Natuur."