ECLI:NL:RVS:2026:5003

ECLI:NL:RVS:2026:5003

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202505529/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 2 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een bestaand gebouw aan de [locatie] te Weert tot zeven appartementen. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een bestaand gebouw tot zeven appartementen op het perceel aan de [locatie] in het centrum van Weert. Op elk van de drie bouwlagen aan de voorzijde van het bestaande pand wordt een appartement gerealiseerd. Het achterste deel van het pand wordt uitgebreid, en daar zullen op twee bouwlagen vier appartementen komen. Omdat door de uitbreiding het gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, een bijgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt opgericht en een dakterras wordt gerealiseerd, heeft het college ook toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo voor het afwijken van het bestemmingsplan. Lema en [appellant] zijn eigenaar van verscheidene panden op en rond de Oelemarkt waarin horecabedrijven worden geëxploiteerd, waaronder café ’t Kruuënke direct naast het pand. Zij vrezen dat de bestaande en toekomstige exploitatiemogelijkheden van de horecabedrijven op de Oelemarkt in gevaar komen.

Uitspraak

202505529/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Lema Weert B.V., en [appellant A] en [appellant B] (samen en in enkelvoud: [appellant]), gevestigd onderscheidenlijk wonend in Weert,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 september 2025 in zaak nr. 24/3031 in het geding tussen:

Lema en [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een bestaand gebouw aan de [locatie] te Weert tot zeven appartementen.

Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het door Lema en [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben Lema en [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Lema en [appellant] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2026, waar Lema en [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A. Vles, advocaat in Weert, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jonkers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vergezeld van [personen], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een bestaand gebouw tot zeven appartementen op het perceel aan de [locatie] in het centrum van Weert. Op elk van de drie bouwlagen aan de voorzijde van het bestaande pand wordt een appartement gerealiseerd. Het achterste deel van het pand wordt uitgebreid, en daar zullen op twee bouwlagen vier appartementen komen. Omdat door de uitbreiding het gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, een bijgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt opgericht en een dakterras wordt gerealiseerd, heeft het college ook toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo voor het afwijken van het bestemmingsplan.

3. Lema en [appellant] zijn eigenaar van verscheidene panden op en rond de Oelemarkt waarin horecabedrijven worden geëxploiteerd, waaronder café ’t Kruuënke direct naast het pand. Zij vrezen dat de bestaande en toekomstige exploitatiemogelijkheden van de horecabedrijven op de Oelemarkt in gevaar komen. Het gaat Lema en [appellant] uitsluitend om het aan de voorzijde op de begane grond mogelijk gemaakte appartement, dat feitelijk direct aan ’t Kruuënke grenst. Daar werd voorheen niet gewoond.

4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank voorziet het bestemmingsplan bij recht in wonen op de begane grond, zodat de door het college gemaakte belangenafweging geen betrekking heeft op de vraag of bewoning op de begane grond al dan niet wenselijk is. Verder kan de omstandigheid dat er inmiddels een ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag waarin wonen op de begane grond wordt uitgesloten, volgens de rechtbank geen rol spelen bij de beslissing op de aanvraag omdat een ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel van het toetsingskader is.

De hogerberoepsgrond

5. Lema en [appellant] voeren aan dat het enkele feit dat het bestemmingsplan wonen op de begane grond toestaat, het college niet ontslaat van de verplichting tot een zorgvuldige belangenafweging, waarin niet alleen het bestemmingsplan, maar ook de praktijk een rol speelt. Zij wijzen erop dat juist aan de voorzijde, waar muziek, glasgerinkel en stemgeluid elkaar tot in de late uurtjes ontmoeten, het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast. Mogelijke maatwerkvoorschriften voor het café lossen dat probleem niet op. Ook vinden Lema en [appellant] het niet aanvaardbaar dat het ontwerpbestemmingsplan geen rol speelt; naar hun mening ligt dat ontwerpbestemmingsplan er niet voor niets en fungeert het als een duidelijke richtlijn voor de toekomstige invulling van de binnenstad van Weert.

6. De Afdeling stelt vast dat het ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 2017" de functie wonen toeliet, ook op de begane grond aan de voorzijde van het bestaande pand. Het bouwplan was op dit punt dus niet in strijd met het bestemmingsplan. Dit is ook niet in geschil. De Afdeling stelt verder vast dat er op 13 december 2023 een ontwerp voor het bestemmingsplan "Binnenstad 2017, 1e herziening" ter inzage is gelegd. Dat bestemmingsplan is uiteindelijk op 13 november 2024 vastgesteld. Voorafgaand daaraan is er niet een voorbereidingsbesluit als bedoeld in art. 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening genomen.

7. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de beroepsgronden van Lema en [appellant] niet tot vernietiging van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kunnen leiden. Bij het verlenen van de vergunning kon het college immers niet voorbijgaan aan het feit dat juist de woning, waartegen Lema en [appellant] zich richten, rechtstreeks past in het ten tijde van het verlenen van de vergunning geldende bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft het college de mogelijkheden die het destijds geldende bestemmingsplan biedt dan ook op goede gronden tot uitgangspunt kunnen nemen. De rechtbank heeft daarbij met juistheid overwogen dat in dit geval het toetsingskader voor de verlening van de omgevingsvergunning niet een ontwerpbestemmingsplan is, maar het ten tijde van het nemen van het besluit geldende bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Schoot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

1082

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.I. van der Schoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand