ECLI:NL:RVS:2026:5004

ECLI:NL:RVS:2026:5004

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202501388/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta het verzoek van [appellant] om handhaving tegen een overtreding van artikel 4.3, onder d, van de Keur voor waterschap Hollandse Delta afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 1] in [woonplaats]. Hij heeft op 6 april 2020 een verzoek gedaan om handhavend op te treden tegen een heg op het perceel aan de [locatie 2] in [plaats]. In het besluit van 6 oktober 2020 heeft het college het verzoek afgewezen omdat er geen overtreding was. Volgens het college stond de heg niet in de obstakelvrije zone en was de heg teruggesnoeid tot de toegestane hoogte van 75 centimeter. Het college heeft op 10 februari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarin staat dat het college overleg heeft gehad met de bewoners van het perceel. Naar aanleiding van dat overleg is een vergunning voor de heg aangevraagd. Op 7 november 2024 heeft het college die vergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden. Het gaat om een heg tot maximaal 2 m hoog, die bij de uitweg maximaal 0,75 m hoog is over een afstand van 5 m.

Uitspraak

202501388/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhaving tegen een overtreding van artikel 4.3, onder d, van de Keur voor waterschap Hollandse Delta (hierna: de Keur) afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2025, heeft het college, opnieuw beslissend, het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten omdat er een vergunning is verleend.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Steennis, bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2. [appellant] woont aan de [locatie 1] in [woonplaats]. Hij heeft op 6 april 2020 een verzoek gedaan om handhavend op te treden tegen een heg op het perceel aan de [locatie 2] in [woonplaats] (het perceel). In het besluit van 6 oktober 2020 heeft het college het verzoek afgewezen omdat er geen overtreding was. Volgens het college stond de heg niet in de obstakelvrije zone en was de heg teruggesnoeid tot de toegestane hoogte van 75 centimeter.

Dit geschil is aan de rechtbank en de Afdeling voorgelegd. De Afdeling heeft op 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3318, uitspraak gedaan. De conclusie was dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door het college ingenomen standpunt dat er geen overtreding was van artikel 4.3, aanhef en onder d, van de Keur, onjuist is. Het gevolg van deze uitspraak is dat het college een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tegen dat nieuwe besluit staat alleen beroep bij de Afdeling open.

3. Het college heeft op 10 februari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarin staat dat het college overleg heeft gehad met de bewoners van het perceel. Naar aanleiding van dat overleg is een vergunning voor de heg aangevraagd. Op 7 november 2024 heeft het college die vergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden. Het gaat om een heg tot maximaal 2 m hoog, die bij de uitweg maximaal 0,75 m hoog is over een afstand van 5 m. Omdat de situatie inmiddels is gelegaliseerd en er dus geen overtreding meer is, heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen.

Beoordeling van het beroep

4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte van handhaving heeft afgezien. Er is nog steeds een verkeersonveilige situatie. Door aan te sturen op een aanvraag voor een vergunning, heeft het college onzorgvuldig gehandeld.

4.1. In de vorige procedure is de vraag al aan de orde geweest of de heg gelegaliseerd kan worden. Onder 6.5 van de uitspraak van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3318, is de Afdeling ingegaan op het standpunt van het college dat er concreet zicht op legalisering was. Zoals ook onder 6.5 van de uitspraak van 21 augustus 2024 aan de orde is gekomen, voldeed de heg aan de voorwaarden van het college om daarvoor een vergunning te kunnen verlenen. Er was toen echter geen aanvraag voor een vergunning gedaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door in overleg te treden met de bewoners van het perceel, alvorens het een besluit nam op het bezwaar tegen de afwijzing om te handhaven.

De Afdeling stelt vast dat de vergunning voor de heg is verleend voordat het college het nieuwe besluit van 10 februari 2025 heeft genomen. Voordat het college dat besluit nam, heeft het op 16 januari 2025 geverifieerd dat de heg aan de vergunning voldeed. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te oordelen dat de overtreding op 10 februari 2025 niet was opgeheven. Omdat de overtreding was opgeheven, heeft het college zich in het besluit van 10 februari 2025 terecht op het standpunt gesteld dat er geen grondslag was om maatregelen tegen de heg te nemen.

De verleende vergunning voor de heg ligt hier niet ter beoordeling voor. De Afdeling gaat daarom niet in op de bezwaren die [appellant] daar, mede in verband met de verkeersveiligheid, tegen heeft. Voor zover [appellant] op de zitting heeft aangevoerd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de vergunning en dat een eventuele termijnoverschrijding daarbij verschoonbaar moet worden geacht, is dat iets wat hij bij het college aan de orde kan stellen.

Het betoog slaagt niet.

Slot en conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wijgerde

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

672

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.C.M. Wijgerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand