ECLI:NL:RVS:2026:5006

ECLI:NL:RVS:2026:5006

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202407789/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 20 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bladel [appellant] gelast om de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie A] in Netersel te staken en gestaakt te houden. Daaraan heeft het een dwangsom van € 1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00 verbonden. [appellant] woont op [locatie A] in Netersel en is mede-eigenaar van het naastgelegen perceel [locatie B]. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [partij], die op [locatie B] woont, heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Volgens het college woont [appellant] in strijd met het bestemmingsplan in een bedrijfswoning. Volgens het college vinden er op dit moment namelijk geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer plaats op [locatie A] en [locatie B]. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is sprake van een overtreding omdat een bedrijfswoning wordt bewoond terwijl geen agrarisch bedrijf meer aanwezig is. [appellant] voert aan dat hij een ‘rustende boer’ is en daarom in de bedrijfswoning mag blijven wonen. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat het college moest afzien van handhaving, omdat hij de overtreding op korte termijn ongedaan zou maken.

Uitspraak

202407789/1/R2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Netersel, gemeente Bladel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 20 november 2024 in zaak nr. 24/2197 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2023 heeft het college [appellant] gelast om de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie A] in Netersel te staken en gestaakt te houden. Daaraan heeft het een dwangsom van € 1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00 verbonden.

Bij besluit van 28 maart 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit van 20 september 2023 aangevuld.

Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, advocaat in Breda, en het college, vertegenwoordigd door Y. Vetjens, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 20 september 2023 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] woont op [locatie A] in Netersel en is mede-eigenaar van het naastgelegen perceel [locatie B]. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [partij], die op [locatie B] woont, heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Volgens het college woont [appellant] in strijd met het bestemmingsplan in een bedrijfswoning. Volgens het college vinden er op dit moment namelijk geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer plaats op [locatie A] en [locatie B].

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft ten eerste overwogen dat zij uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden. [appellant] en de indiener van het handhavingsverzoek [partij] zijn broers en wonen op [locatie A], respectievelijk [locatie B]. Deze gronden hebben dezelfde bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1", maar zijn kadastraal gesplitst in twee percelen. [appellant] heeft zich in 1997 samen met zijn vader en moeder verenigd in een maatschap met het doel het gemeenschappelijk exploiteren van een varkensfokkerij en mesterij. Vanaf 2002 woont [appellant] in de toen voltooide bedrijfswoning en heeft toen een slagerij en winkel aan huis geopend. Tot 2009 heeft [appellant] met name in de slagerij gewerkt, maar ook gewerkt ten behoeve van de varkenshouderij, waaronder het castreren en dekken van de varkens en het schoonmaken van de stallen. Vanaf 2009 zijn er geen varkens meer gehouden. In 2015 is het bestaan van de maatschap geëindigd en in 2019 heeft het college de milieuvergunning ingetrokken.

3.1. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is sprake van een overtreding omdat een bedrijfswoning wordt bewoond terwijl geen agrarisch bedrijf meer aanwezig is. Ook zijn er volgens de rechtbank geen redenen voor het college om van handhaving af te moeten zien. Er is namelijk geen sprake van concreet zicht op legalisatie of onevenredige handhaving. [appellant] is namelijk geen hoofduitvoerder geweest van agrarisch bedrijf en daarom geen ‘boer in ruste’.

Verder oordeelt de rechtbank dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat hij niet tijdig stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat aan hem concrete toezeggingen zijn gedaan dat hij in de bedrijfswoning mag blijven wonen.

Het hoger beroep

Overtreding

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan wordt overtreden.

- "Rustende boer"

5. [appellant] voert aan dat hij een ‘rustende boer’ is en daarom in de bedrijfswoning mag blijven wonen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ1730, volgt namelijk het bestemmingsplan niet wordt overtreden als een voormalige agrariër na de bedrijfsbeëindiging in de bedrijfswoning blijft wonen. In dat verband voert hij aan dat het varkensbedrijf van de maatschap was, waarvan hij onderdeel uitmaakte. Omdat de taken door de maatschap onder de drie maten zijn verdeeld, geldt de aanspraak op "rustende boer" volgens hem voor alle drie de vennoten. Daarbij voert hij aan dat niet in geschil is dat hij werkte in het varkensbedrijf. De omvang ervan maakt niet dat hij niet kan worden aangemerkt als 'boer'. Daarnaast had de maatschap ten doel het exploiteren van een varkensfokkerij en mesterij, met al wat daartoe behoort en daarmee in verband staat in de ruimste zin van het woord. Daarom viel volgens hem ook de slagerij, die hij sinds 2002 aan huis dreef, onder deze maatschap.

5.1. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat [appellant] geen agrariër in ruste is, zodat hij, door in de bedrijfswoning te wonen het bestemmingsplan overtreedt. Uit artikel 1.13 van de planregels volgt dat, om een woning te kunnen aanmerken als agrarische bedrijfswoning, de woning bedoeld moet zijn voor een persoon wiens huisvesting daar gelet op de aard van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is. Uit wat [appellant] heeft aangevoerd en wat aannemelijk is geworden, blijkt dat hij ten tijde van de varkenshouderij beperkt werkte in die varkenshouderij. [appellant] richtte zijn werkzaamheden voornamelijk op de boerderijslagerijwinkel. Boerderijslagerij [naam] had als activiteiten een groothandel in vee, im- en export voor buitenlandse handel voornamelijk in varkens en het fokken van huisdieren (honden en katten). Dit zijn geen agrarische activiteiten zoals genoemd in artikel 1.8 van de planregels. Omdat [appellant], ook al hielp hij ten tijde van de varkenshouderij daar af en toe mee, hoofdzakelijk niet-agrarische activiteiten heeft verricht, was het niet noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering van de varkenshouderij dat hij daar woonde. Daarom staat het werk van [appellant] in een te ver verwijderd verband tot dat van een voormalige agrariër om hem te kunnen aanmerken als rustende boer. De uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006 waarnaar [appellant] verwijst, is daarom niet van toepassing.

Het betoog slaagt niet.

- Overgangsrecht

6. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende is onderzocht of het gebruik van de woning onder het overgangsrecht valt. Hij voert daarbij aan dat het college gebruik had moeten maken van de hardheidsclausule van het overgangsrecht vanwege de moeilijke situatie van de splitsing van de percelen en het eigendom.

6.1. Op de zitting heeft [appellant] erkend dat zijn betoog moet worden opgevat als slechts een beroep op de hardheidsclausule van het overgangsrecht. Die staat in artikel 49.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014". Op grond hiervan kan het bevoegd gezag ten behoeve van een persoon of personen van het overgangsrecht afwijken voor zover toepassing van het overgangsrecht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan.

Uit de enkele stelling van [appellant] dat het college op de hoogte was van de situatie rondom de splitsing van de percelen volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat daarom sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard waarom het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval ten opzichte van andere situaties waarin gronden in strijd met het voorheen geldende plan worden gebruikt. Daarbij komt dat de situatie op zichzelf geen verband houdt met de splitsing van de percelen, maar met de omstandigheid dat de woning na het opheffen van de maatschap hoe dan ook niet meer als bedrijfswoning kon worden aangemerkt. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. Daarom is er dus ook in deze lijn van argumenteren wel een overtreding.

Het betoog slaagt niet.

Gebruik handhavingsbevoegdheid

7. [appellant] betoogt dat het college geen gebruik had mogen maken van zijn handhavingsbevoegdheid.

- Beginselplicht tot handhaving

8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

8.1. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan zo’n zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

- Beëindiging overtreding?

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat het college moest afzien van handhaving, omdat hij de overtreding op korte termijn ongedaan zou maken. Hij voert daarover aan dat hij een melding heeft gedaan voor het houden van landbouwhuisdieren, waardoor inmiddels sprake is van agrarisch gebruik in de zin van het bestemmingsplan. De woning kan daarom worden aangemerkt als bedrijfswoning bij dit agrarische bedrijf.

9.1. De rechtbank heeft in deze grond terecht niet geoordeeld dat het college van handhaving had moeten afzien.

Dat [appellant] sinds 1 januari 2024 met een nieuw agrarisch bedrijf stond inschreven bij de KvK, zoals hij op de zitting heeft gesteld, was voor het college onvoldoende om ten tijde van het besluit op bezwaar van 28 maart 2024 aan te nemen dat de overtreding binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd. Een inschrijving in de KvK betekent namelijk niet dat de agrarische activiteiten ook daadwerkelijk zullen worden uitgeoefend.

Daarbij komt dat de melding van [appellant] bij het omgevingsloket over het houden en fokken van alpaca's en lama's voor wol en vlees dateert van ná het besluit op bezwaar, te weten op 21 augustus 2024. Ook daarom hoefde het college ten tijde van het besluit op bezwaar niet te concluderen dat de overtreding binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd.

Het betoog slaagt niet.

- Zicht op legalisering?

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden van legalisering door de bedrijfswoning te bestemmen of te vergunnen als plattelandswoning

10.1. De Afdeling volgt dit betoog van [appellant] niet. Het college heeft namelijk in het voortraject meerdere gesprekken gehad met zowel [appellant] als met [partij] en aangegeven welwillend tegenover een herontwikkeling te staan. Maar ten tijde van het besluit op bezwaar was er nog geen concrete aanvraag ingediend, en sindsdien overigens ook niet. Het indienen van een aanvraag is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van [appellant] en [partij] als eigenaren. Daarmee hield het op en hoefde het college het niet verder te onderzoeken.

Het betoog slaagt niet.

- Andere omstandigheden

11. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat de situatie is ontstaan in de loop van tijd. Er is geen opzet geweest om de woning illegaal te bewonen, dit is enkel ontstaan door het beëindigen van het agrarisch bedrijf en de maatschap. Het college was daarbij bekend met de voorgeschiedenis van de illegale bewoning.

11.1. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat op dit punt ook geen sprake is van een bijzonder geval. De Afdeling begrijpt dat het beëindigen van het agrarisch bedrijf en de maatschap onbedoeld hebben geleid tot een voor [appellant] lastige situatie. Dat is alles bij elkaar genomen nog geen reden voor het college om de illegale situatie te laten prevaleren boven het algemeen belang bij handhaving. Daarbij betrekt de Afdeling dat [partij] in 2022 een handhavingsverzoek heeft ingediend en hij daarin zegt dat hij overlast ondervindt van de overtreding.

Het betoog slaagt niet.

- Vertrouwensbeginsel

12. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank had moeten oordelen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Hij voert daarover aan dat het college toezeggingen heeft gedaan dat hij het terrein niet hoeft te verlaten. De betrokken wethouder heeft namelijk aan [appellant] meegedeeld dat het niet de bedoeling is dat hij zijn huis uitgezet wordt. Daarom mocht [appellant] aannemen dat het college zou afzien van handhaving, dan wel dat de situatie zou worden gelegaliseerd.

12.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

12.2. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De enkele uitlating van de betrokken wethouder dat het niet de bedoeling is dat [appellant] zijn huis uitgezet wordt, kan niet worden aangemerkt als een concrete toezegging dat het college van handhaving zou afzien. De wethouder heeft dit gezegd in de context van gesprekken waarbij het college meedacht aan oplossingen en gesprekken tussen [appellant] en [partij] over mogelijke plannen voor de percelen [locatie A] en [locatie B]. Dat is geen uitlating waaruit [appellant] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht afleiden dat het college zou afzien van handhaving.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Kuipers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

271-1167

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Kuipers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand