ECLI:NL:RVS:2026:5008

ECLI:NL:RVS:2026:5008

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202400519/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek van Liander N.V. aan onder meer de vennootschap en anderen de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een ondergrondse middenspanningsverbindingen op een aantal percelen in de gemeente Niedorp. Om de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland te garanderen zijn diverse uitbreidingen van het elektriciteitsnetwerk nodig. Een onderdeel van de beoogde uitbreiding is de aanleg van nieuwe middenspanningsverbindingen. Voor zover van belang loopt het tracé met tien parallelle 20 kV kabels ondergronds over de kadastrale percelen in Niedorp, sectie F, nrs. […], […] en […]. In het "Bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp" hebben deze percelen de bestemming "Agrarisch met waarden". De percelen worden voor agrarische doeleinden gebruikt. De vennootschap en anderen zijn de te onderscheiden rechthebbenden op deze percelen. De vennootschap en anderen betogen dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om een oordeel te geven over hun beroepsgrond dat met de gedoogplicht een grotere belemmering wordt veroorzaakt dan strikt noodzakelijk is.

Uitspraak

202400519/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en anderen, alle gevestigd of wonend in Dirkshorn, gemeente Schagen, ofwel in Anna Paulowna, ’t Veld of Zijdewind, gemeente Hollandse Kroon,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 12 december 2023 in zaak nr. 22/1257 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de minister op verzoek van Liander N.V. aan onder meer de vennootschap en anderen de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een ondergrondse middenspanningsverbindingen op een aantal percelen in de gemeente Niedorp.

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de minister het door de vennootschap en anderen daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12907, heeft de rechtbank het door de vennootschap en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vennootschap en anderen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Kolken en Liander hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar de vennootschap en anderen, bij monde van [gemachtigden], en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Lommerse en mr. N.J.H. Klomp, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Liander, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. I.S. Termaat, advocaat in Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.3 van de Omgevingswet mededeling is gedaan en kennis is gegeven van de terinzagelegging in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, dan blijft op grond van artikel 4.27, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot de gedoogbeschikking onherroepelijk is.

Vaststaat dat de mededeling en kennisgeving zijn gedaan vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Om de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland te garanderen zijn diverse uitbreidingen van het elektriciteitsnetwerk nodig. Een onderdeel van de beoogde uitbreiding is de aanleg van nieuwe middenspanningsverbindingen. Voor zover van belang loopt het tracé met tien parallelle 20 kV kabels ondergronds over de kadastrale percelen in Niedorp, sectie F, nrs. […], […] en […]. In het "Bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp" hebben deze percelen de bestemming "Agrarisch met waarden". De percelen worden voor agrarische doeleinden gebruikt. De vennootschap en anderen zijn de te onderscheiden rechthebbenden op deze percelen.

Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de minister op verzoek van Liander op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) aan de vennootschap en anderen de plicht opgelegd om de aanleg en instandhouding van de middenspanningsverbindingen (20 kV) op hun percelen te gedogen en heeft dit besluit uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap en anderen tegen het besluit van 29 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking heeft op de vraag of de gedoogplicht is opgelegd voor een grotere belemmering dan redelijkerwijs nodig is. Volgens de minister had ten aanzien van dat bezwaar alleen beroep ingesteld kunnen worden bij het Gerechtshof. De minister heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 29 juli 2021 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 12 december 2023 heeft de rechtbank het beroep van de vennootschap en anderen tegen dat besluit ongegrond verklaard. De vennootschap en anderen hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Bespreking van het beroep

3. De vennootschap en anderen betogen dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om een oordeel te geven over hun beroepsgrond dat met de gedoogplicht een grotere belemmering wordt veroorzaakt dan strikt noodzakelijk is. Verder betogen zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat Liander een redelijke poging heeft gedaan om langs minnelijke weg tot wederzijdse overeenstemming te komen. Tot slot betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister gehouden was om in de gedoogbeschikking voorwaarden op te nemen over de wijze waarop de werkzaamheden door Liander uitgevoerd hadden moeten worden.

3.1. De gronden die de vennootschap en anderen in hoger beroep hebben aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Over de stelling van de vennootschap dat de rechtbank had moeten overwegen dat de minister in de gedoogbeschikking in het bijzonder de voorwaarde had moeten opnemen dat Liander een "nulmeting" in de vorm van een cultuurtechnisch onderzoek naar de bodemsamenstelling van de percelen zou uitvoeren, voegt de Afdeling het volgende toe. In het besluit van 29 juli 2021, dat bij het besluit op bezwaar van 20 januari 2022 in stand is gelaten, staat dat Liander zich bij de aanleg en instandhouding van het werk dient te houden aan haar verzoek en de daarbij overgelegde stukken. In elk van de te onderscheiden persoonlijke dossiers van de vennootschap en anderen zit een stuk met de titel "Werkbeschrijving en planning". Hierin staat dat als dit nodig is een perceelpaspoort wordt opgesteld en een nulmeting wordt gedaan. Voorzover de vennootschap en anderen aanvoeren dat Liander die maatregelen feitelijk niet heeft genomen - wat daar ook van zij - maakt dit niet dat het besluit van 20 januari 2022 een gebrek bevat. Dit is namelijk een omstandigheid die in het kader van de afhandeling van de mogelijke schade aan de orde kan worden gesteld. De rechtbank heeft daarom ook in zoverre terecht geen aanleiding gezien voor dat oordeel.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Schoot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

1082

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.I. van der Schoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand