202407472/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Turkije,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in zaak nr. 24/4808 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft de minister geweigerd om de aanvraag voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.
Bij besluit van 25 april 2025 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Raissi, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door J.L.K. Hu en M.R. Bechan, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] in Turkije. Hij verkreeg de Nederlandse nationaliteit door als minderjarige te delen in de naturalisatie van zijn vader en behield daarbij zijn Turkse nationaliteit. Op 14 november 2011 is aan [appellant] voor het laatst een Nederlands paspoort verstrekt. Op 6 december 2023 heeft [appellant] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. De minister heeft geweigerd om deze aanvraag in behandeling te nemen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap niet meer bezit. Volgens de minister heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verloren op 14 november 2021 omdat hij zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit had en hij op dat moment gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad in Turkije.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er in de procedure over een paspoortaanvraag geen ruimte bestaat voor een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. Ook had de rechtbank volgens [appellant] de paspoortaanvraag moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister hem in de bezwaarfase niet heeft hoeven horen, aldus [appellant].
Beoordeling hoger beroep
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder vier tot en met vijf opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan het volgende toe.
3.1. Sinds 1 april 2022 is in de RWN, in artikel 6, eerste lid, en onder p, een optierecht toegevoegd waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen. Met dit optierecht wordt een exclusieve procedure beoogd om de in het Tjebbes-arrest bedoelde toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel te verrichten. Dit geldt alleen voor de situatie dat een betrokkene met het verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verliest. Dat is hier het geval.
3.2. In de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370 heeft de Afdeling, kort gezegd, geoordeeld dat het Unierecht er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap uitsluitend worden beoordeeld in een van de paspoortprocedure losstaande procedure, indien in de paspoortprocedure blijkt van het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee van het Unieburgerschap, van rechtswege.
3.3. [appellant] heeft geen aanknopingspunten aangereikt voor het oordeel dat het moeten afleggen van de optieverklaring ter beoordeling van de Unierechtelijke evenredigheid van de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. Weliswaar heeft [appellant] op de zitting toegelicht dat hij ten tijde van de paspoortaanvraag op 6 december 2023 niet wist dat hij een optieverklaring kon afleggen, maar dat neemt niet weg dat het sinds de wetswijziging van de RWN op 1 april 2022 al mogelijk was om dit te doen. Bovendien is [appellant] in het besluit van 23 januari 2024 op deze mogelijkheid gewezen en is daarin uitleg gegeven over de voor hem te nemen stappen als hij een optieverklaring wil afleggen. Tot op heden heeft [appellant] geen aanleiding gezien om een optieverklaring af te leggen.
3.4. Onder het nationale recht kan het Nederlanderschap niet worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur als het verlies hiervan een rechtsgevolg is dat rechtstreeks volgt uit de wet na vaststelling van de feiten. In dat geval is er namelijk geen beoordelingsruimte. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1400. Niet in geschil is dat [appellant] het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Dit betekent dat de minister bij beoordeling van de paspoortaanvraag niet alsnog een evenredigheidstoets kan uitvoeren op grond van artikel 3:4 van de Awb. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, onder 9.5 en 9.6, ECLI:NL:RVS:2023:772. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
317-1146