202400271/1/R2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
2. [appellant sub 2], wonend in Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
3. [appellant sub 3], wonend in Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], allebei wonend in Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 11 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).
Tegen dit herstelbesluit hebben [appellant sub 3], [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] beroep ingesteld.
[appellant sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], de raad en [partij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op 28 april 2026 op een zitting behandeld, waar zijn verschenen:
- [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam, [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D];
- [appellant sub 3] en [appellant sub 3A];
- de raad, vertegenwoordigd door F.H.L. Vossen, F.A. Wintjes en Y.L.M. Lanooij.
Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. A.C.P.M. van Dun, advocaat in Tilburg, [gemachtigde A], S. de Hilster, werkzaam bij Aveco de Bondt B.V., [gemachtigde B] en R. Rebergen, werkzaam bij Blom Ecologie B.V., als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 16 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt 28 woningen mogelijk. Het gaat om levensloopbestendige woningen, eengezinswoningen en een aantal vrijstaande woningen. Het plangebied is gesitueerd aan de rand van het dorp Gemonde.
3. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] zijn omwonenden. Zij vrezen onder meer voor water-, verkeer- en parkeeroverlast als gevolg van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt.
4. [partij] is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling.
Betekenis herstelbesluit
5. Met het herstelbesluit is het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" gewijzigd opnieuw en gewijzigd, vastgesteld. Daarom is met dit besluit het besluit van 26 oktober 2023, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege ontstaat voor [appellant sub 1] en anderen.
De Afdeling zal bij de bespreking van de beroepsgronden eerst uitgaan van het herstelbesluit.
Ontvankelijkheid beroepen
- Beroep [appellant sub 1] en anderen
6. Het beroepschrift van [appellant sub 1] en anderen is onder meer ingediend door [appellant sub 1E]. Ten tijde van het instellen van het beroep woonde [appellant sub 1E] aan de [locatie 1, nabij het plangebied. Uit de stukken is gebleken dat [appellant sub 1E] niet meer op dit adres woont. Dit is op de zitting bevestigd. Door de verhuizing heeft [appellant sub 1E] geen belang meer bij de uitkomst van de procedure. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is daarom, voor zover ingesteld door [appellant sub 1E], niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Voor zover de Afdeling hierna het heeft over het beroep van [appellant sub 1] en anderen, betreft dit het beroep zonder mevrouw [appellant sub 1E].
- Beroepen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4]
7. Zoals hiervoor is overwogen, is het besluit van 11 december 2025 een herstelbesluit. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] geen beroep hebben ingesteld tegen het eerdere besluit van 26 oktober 2023. De Afdeling zal daarom beoordelen of hun beroepen tegen het besluit van 11 december 2025 ontvankelijk zijn.
De Afdeling overweegt in dit verband dat vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen niet kan worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat geldt niet als die belanghebbende door het nieuwe besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen dat eerdere besluit.
7.1. De Afdeling heeft [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij door het nieuwe besluit in een nadeliger positie zijn komen te verkeren of dat hen door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten dat geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit.
7.2. [appellant sub 2] heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden mogelijkheid om toe te lichten waarom hij pas voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen het herstelbesluit en niet eerder tegen het eerdere besluit van 26 oktober 2023. Op de zitting is [appellant sub 2] ook niet verschenen. Het lag op de weg van [appellant sub 2] om redenen aan te dragen indien hij van mening zou zijn dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld. Het is de Afdeling ook anderszins niet gebleken waarom het beroep van [appellant sub 2] ontvankelijk moet worden geacht. De Afdeling concludeert dan ook dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is.
7.3. [appellant sub 3] heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden mogelijkheid om toe te lichten waarom hij pas voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen het herstelbesluit en niet eerder tegen het eerdere besluit van 26 oktober 2023. Op de zitting heeft [appellant sub 3] desgevraagd toegelicht dat hij op 6 oktober 2023 de sleutel heeft gekregen van zijn woning aan de [locatie 2] in Gemonde, maar dat hij er toen nog niet woonde, omdat hij nog moest verbouwen. De Afdeling ziet daarin geen reden aan te nemen dat [appellant sub 3] door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit van 26 oktober 2023. Overigens merkt de Afdeling op dat [appellant sub 3] niet in een nadeliger positie is komen te verkeren in vergelijking met de positie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer het eerdere besluit van 26 oktober 2023 zou zijn uitgevoerd. Het beroep van [appellant sub 3] richt zich alleen op wateraspecten. De Afdeling stelt vast dat in het herstelbesluit een watertoets is uitgevoerd en er een voorwaardelijke verplichting is opgenomen voor het aspect water, dit in tegenstelling tot het besluit van 26 oktober 2023.
Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is.
7.4. [appellanten sub 4] hebben in reactie op de brief van de Afdeling aangegeven dat zij geen beroep hebben kunnen instellen tegen het eerdere besluit van 26 oktober 2023, omdat zij pas nadat dit besluit was genomen sinds 1 oktober 2025 aan de [locatie 1] in Gemonde zijn komen wonen. Dit is door de raad niet betwist.
Aangezien [appellanten sub 4] nog niet aan de Dorpstraat woonden toen het besluit van 26 oktober 2023 werd genomen, is de Afdeling van oordeel dat zij op dat moment geen belanghebbende waren en dat hen dus niet kan worden verweten dat zij geen beroep tegen dat besluit hebben ingesteld. Dit betekent dat hun beroep tegen het besluit van 26 oktober 2023 ontvankelijk is.
Toetsingskader
8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgrond
9. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting hun beroepsgrond over stikstof ingetrokken.
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
10. Het plan maakt 28 woningen mogelijk. Daarvan liggen er 25 woningen binnen de "Landelijke kern", zoals aangeduid in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en drie daar buiten, in de IOV aangeduid als "Landelijk gebied". Ten behoeve van het plan is een grenswijziging gewenst in verband met deze drie woningen. Het plan breidt de kern van de gemeente Gemonde en daarmee het stedelijk gebied uit. De raad heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (het college van GS) verzocht de grens van de "Landelijke kern" te verleggen. Bij besluit van 6 juni 2023 heeft het college van GS positief beslist op dit verzoek.
11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college van GS de begrenzing van het werkingsgebied "Landelijke kern" niet heeft mogen wijzigen, omdat niet wordt voldaan aan de IOV. In de kern komt hun beroep erop neer dat het college van GS het herbegrenzingsbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college van GS is volgens hen onvoldoende geïnformeerd over de ingediende zienswijzen. Ook is het herbegrenzingsbesluit genomen zonder de laddertoets erbij te betrekken. De laddertoets was immers op dat moment nog helemaal niet uitgevoerd. Hierdoor heeft het college van GS op basis van onvolledige informatie en zonder de laddertoets in de overweging mee te nemen het besluit tot herbegrenzing genomen.
11.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 december 2022, onder 12.3 (ECLI:NL:RVS:2022:3612) overwogen dat een besluit van het college van GS tot wijziging van de begrenzing van een gebied dat in de IOV is aangewezen een algemeen verbindend voorschrift is. Tegen een algemeen verbindend voorschrift kan op grond van artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Awb geen beroep worden ingesteld. Een rechter kan een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift gebaseerd is, toetsen op rechtmatigheid. Daarbij gaat het om de vraag of het voorschrift in strijd is met geschreven of ongeschreven hoger recht. De bestuursrechter toetst aan algemene rechtsbeginselen op de wijze als de Afdeling heeft uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, en het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft uiteengezet in zijn uitspraak van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Zoals in die uitspraken is overwogen, kan de enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 van de Awb) niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Alleen als vervolgens wordt vastgesteld dat het algemeen verbindende voorschrift (ook) in strijd is met materieel hoger recht, kan de bestuursrechter concluderen dat het voorschrift onverbindend is en het bestreden besluit vernietigen omdat daarvoor geen grondslag bestaat. Als niet wordt vastgesteld dat het algemeen verbindend voorschrift in strijd is met materieel hoger recht, kan de bestuursrechter het voorschrift wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel in het concrete geval buiten toepassing laten en het op dat voorschrift berustende bestreden besluit vernietigen.
11.2. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het herbegrenzingsbesluit in strijd met de IOV is, maar hebben in hun beroepschrift en op de zitting niet gespecificeerd met welk onderdeel of artikel van de IOV het herbegrenzingsbesluit is. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat het herbegrenzingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat ook dit betoog niet nader is gemotiveerd.
Ten aanzien van de stelling dat de ingediende zienswijzen niet zijn doorgestuurd naar het college van GS, stelt de raad in zijn verweerschrift dat naast de nota van zienswijzen, waarin onder meer een samenvatting van de ontvangen zienswijzen in staat, ook de zienswijzen zelf destijds aan het college van GS zijn toegezonden. Op de zitting heeft de raad nader toegelicht dat het feit dat het college van GS niet reageert op de nota van zienswijzen niet wil zeggen dat het college van GS de zienswijze niet heeft betrokken of heeft kunnen betrekken. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten waarom de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen.
Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de nieuwe laddertoets niet is betrokken bij het herbegrenzingsbesluit, overweegt de Afdeling dat het doorlopen van een laddertoets geen voorwaarde is voor het nemen van een herbegrenzingsbesluit. Het aspect behoefte is een element dat ten aanzien van het plan aan de orde kan komen.
11.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om het herbegrenzingsbesluit onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het herbegrenzingsbesluit in strijd is met de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025
12. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (de Structuurvisie). In de kern komt hun betoog erop neer dat in de Structuurvisie drie potentiële locaties voor woningbouw zijn opgenomen, maar dat de gronden van het plangebied daar niet onder vallen. Zij wijzen erop dat de gronden van het plangebied niet te vergelijken zijn met de bouwlocaties die worden genoemd in de Structuurvisie.
12.1. De Structuurvisie is op 8 december 2011 door de raad vastgesteld en gaat in op de toekomstvisie van de gemeente Sint-Michielsgestel. In de Structuurvisie staan onder meer voor het dorp Gemonde locaties genoemd voor woningbouw. Op de afbeelding van het dorp Gemonde in de Structuurvisie is te zien dat de locatie "Rietstok" een woningbouwlocatie is. De Afdeling stelt vast dat de gronden van het plangebied voor een deel vallen binnen de aangegeven gronden van de locatie Rietstok zoals aangegeven in de Structuurvisie. In de Structuurvisie staat bij de locatie Rietstok "nader te bepalen". In de Structuurvisie staat ook: "Het is belangrijk vast te stellen dat de structuurvisiekaart geen bestemmingsplankaart is en dat deze daardoor geen ontwikkelingen onwrikbaar vastlegt. Het gaat om de hoofdlijnen van beleid, die verder worden uitgewerkt in stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en dorpsplannen."
12.2. Zowel in het verweerschrift als in de nota van zienswijzen staat dat de genoemde locaties in de Structuurvisie, waar de Rietstok er één van is, indicatief zijn bedoeld. De daadwerkelijke plangrens is nader te bepalen, zoals ook staat in de Structuurvisie. De in de Structuurvisie genoemde speerpunten vormen geen bindende verplichtingen. Het zijn ambities en doelen voor de toekomst. Met het benoemen van de Rietstok als woningbouwlocatie wordt juist invulling gegeven aan deze speerpunten, aldus de raad in zijn verweerschrift.
12.3. Verder staat in paragraaf 4.1.2 van de plantoelichting dat wanneer de contouren uit de Structuurvisie één-op-één zouden worden gevolgd, er sprake zou zijn van een ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied. In dit geval is er juist gekozen voor een afronding van de kern van Gemonde met een beperkter ruimtebeslag buiten het bestaand stedelijk gebied. Gelet hierop vallen de gronden van het plangebied dus niet precies samen met de aangegeven gronden van de locatie Rietstok zoals aangegeven in de Structuurvisie.
12.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding dat het plan in strijd is met Structuurvisie.
Het betoog slaagt niet.
De ladder voor duurzame verstedelijking
13. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er behoefte bestaat aan de 28 woningen die het plan mogelijk maakt. Op de zitting is naar voren gekomen dat hun betoog er in de kern op neer komt dat het plan geen betaalbare starterswoningen mogelijk gemaakt, terwijl 70% van de nieuw te bouwen woningen hieraan moet voldoen. Zij wijzen erop dat de plan niet voldoet aan het Woningmarktonderzoek 2022, omdat er geen enkele huurwoning wordt gebouwd, terwijl dit wel een uitgangspunt is in het Woningmarktonderzoek 2022. Uit het Woningmarktonderzoek volgt ook dat de behoefte aan dure koopwoningen afneemt in Gemonde.
13.1. De raad stelt in zijn verweerschrift dat hij naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter een laddertoets heeft uitgevoerd. In paragraaf 4.1.2 van de plantoelichting is ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en is de conclusie dat het plan voorziet in de behoefte. De conclusie is dat tot 2030 de woonbehoefte in Gemonde 85 woningen is. De voorziene ontwikkeling past binnen het woonbeleid van de gemeente en de behoefte aan woningbouw binnen Gemonde. In paragraaf 4.3.2 van de plantoelichting wordt verder ingegaan op deze behoefte aan de hand van gemeentelijke beleidsdocumenten. Zo staat in paragraaf 4.3.2 van de plantoelichting dat de voorziene ontwikkeling zal voorzien in zeven goedkope en vijftien eengezins- en senioren koopwoningen en zes vrijstaande woningen. De voorziene ontwikkeling betreft een gevarieerd woonaanbod wat aansluit bij de behoefte en leefbaarheid van het dorp Gemonde. Er is in vrijwel alle segmenten behoefte aan extra woningen in gemeente Sint-Michielsgestel, voor het inlopen van het huidige woningtekort en om te voorzien in de groei van de woningbehoefte. Er is een grote extra vraag naar goedkopere en betaalbare woningen in de koopsector. In de gevraagde segmenten betreft het voornamelijk rijwoningen. Veel (koop)starters in de gemeente richten zich op een koopwoning. Dat sluit aan bij de nationale richtlijnen om te streven naar het bouwen van 70% betaalbare woningen per ontwikkeling, zo staat in de plantoelichting.
Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat het plan in strijd is met het Woningmarktonderzoek 2022, blijkt uit het verhandelde op de zitting dat de raad zich op het standpunt stelt dat het Woningmarktonderzoek 2022 een onderzoek is naar de behoefte en dat het plan in lijn is met dit onderzoek, omdat wordt voorzien in 70% betaalbare woningen, waarvan zeven starterswoningen. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten waarom de raad zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.
13.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat er behoefte is aan de in het plan voorziene woningen.
Het betoog slaagt niet.
Wateroverlast
14. In het herstelplan is met betrekking tot het aspect water een nieuwe watertoets van Aveco de Bondt uitgevoerd (bijlage 14 van de plantoelichting). Daarnaast zijn in het plangebied een aantal gronden aangewezen als waterberging en zijn in de artikelen 10.3.1 en 10.3.2 van de planregels de vereiste waterhuishoudkundige maatregelen opgenomen. Zo volgt uit artikel 10.3.1 van de planregels dat er een waterhuishoudkundig plan moet worden opgesteld dat moet voldoen aan de waterhuishoudkundige maatregelen als beschreven in hoofdstuk 6 van de nieuwe watertoets van Aveco de Bondt (bijlage 14 van de plantoelichting). Uit artikel 10.3.2 van de planregels volgt dat het college van burgemeester en wethouders ook in afwijking van artikel 10.3.1 van de planregels alternatieve maatregelen met betrekking tot het aspect water, die minimaal gelijkwaardig zijn aan de maatregelen beschreven in hoofdstuk 6 van de nieuwe watertoets, kunnen goedkeuren.
15. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] voeren aan dat de raad de gevolgen van het plan op de waterhuishouding in het gebied onvoldoende heeft onderzocht. Zij vrezen voor een toename van wateroverlast als gevolg van de verwezenlijking van het plan. In de huidige situatie ervaren zij al wateroverlast.
Zoals op de zitting is toegelicht, is de kern van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat zij vrezen dat bij extreme piekbuien water sneller stroomt over de verharde gronden van het plangebied waardoor hun tuinen onder water komen te staan. Door de slechte doorlatendheid van de huidige bodemstructuur en de al te hoge grondwaterstand in combinatie met niet-functionerende bestaande afvoermogelijkheden, is de werking van het voorgestelde infiltratierioolsysteem volgens hen onvoldoende om omwonenden te beschermen. Zij wijzen erop dat de ophoging van het maaiveld zich beperkt tot de grenzen van het plangebied, waardoor de bestaande laaggelegen zone bij de woningen [locatie 5], [locatie 6], [locatie 3] en [locatie 1] in stand blijft. Daarmee ontstaat juist een hydrologische ongunstige situatie, waarin afstromend hemelwater bij piekbuien richting deze woningen zal stromen. Volgens hen had ook onderzoek moeten worden gedaan naar meetpunten op hun percelen en tuinen. [appellant sub 1] en anderen hebben er op de zitting ook op gewezen dat er onjuiste en ondeugdelijke onderbouwde gegevens over grondwaterstanden zijn gebruikt. Deze grondwaterstanden zijn volgens hen niet-controleerbaar.
[appellanten sub 4] voeren kort samengevat aan dat de effecten van watermaatregelen op aangrenzende percelen onvoldoende zijn onderzocht. In de watertoets ontbreekt een concrete en locatie-specifieke beoordeling van de gevolgen van deze maatregelen voor de al bestaande woningen. Hierdoor blijven bestaande laagtes in stand en zijn risico's op waterophoping, met name bij piekbuien, vergroot. Het is volgens hen vanuit hydrologisch oogpunt feitelijk onmogelijk dat bij een hoger gelegen gebied met een verhardingspercentage van ongeveer 90% kan worden voorkomen dat water over deze verharding afstroomt naar lagergelegen delen, zoals hun woning. Hoewel wordt gesteld dat een deel van de verharding doorlaatbaar zal zijn en dat in de openbare ruimte drainage wordt aangelegd, blijft het risico op waterafstroming bij hevige of langdurige neerslag bestaan. Daarbij komt dat de voorziene wadi bij piekbelasting via een overstort rechtstreeks loost op omliggende sloten, die hydrologisch in verbinding staan met de woonomgeving van omwonenden. Hierdoor wordt niet inzichtelijk gemaakt of en in welke mate sprake is van verslechtering.
15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende onderzoek is verricht naar de waterhuishouding in en rondom het plangebied en de effecten daarop van het plan. De raad wijst in dat verband op paragraaf 5.3 van de plantoelichting en het rapport "Watertoets bouwplan Rietstok Gemonde" van Aveco de Bondt 9 juli 2025 dat als bijlage 14 bij de plantoelichting is gevoegd. Ook wijst de raad op de nadere notities van Aveco de Bondt van 10 februari 2026 en 13 februari 2026. Het standpunt van de raad komt erop neer dat geen negatieve effecten te verwachten zijn van het plan op de waterhuishouding.
15.2. In de watertoets wordt geconcludeerd dat de voorgestelde ophoging van de gronden van het plangebied kan leiden tot opstuwing van de grondwaterstand met kans op grondwateroverlast tot gevolg. De oorzaak hiervan is gelegen in de slechte doorlatendheid van de ondergrond. In de huidige situatie komen al geregeld bovenmatig hoge grondwaterstanden voor. Door drainage toe te passen binnen het plangebied kan de grondwaterstand worden gereguleerd en kunnen negatieve effecten op de grondwaterstand worden beperkt. Naast deze directe maatregel, zorgt de ontwikkeling er ook voor dat regenwater op specifieke locaties gecontroleerd wordt geïnfiltreerd. De afstand van de infiltratievoorzieningen tot de bestaande bebouwing is groter dan in de huidige situatie, waardoor opstuwing van grondwater bij de bestaande bebouwing minder op zal treden. Op deze manier kan zowel binnen het plangebied als in de omgeving een robuuste waterhuishouding worden gerealiseerd. De maatregelen hebben ook buiten de gronden van het plangebied een positieve werking op de grondwatersituatie tijdens extreem natte perioden.
15.3. In de notitie van 13 februari 2026 concludeert Aveco de Bondt dat de uitgevoerde watertoets vanwege de grondwatermetingen, infiltratiemetingen en het uitwerkingsniveau van het beoogde watersysteem uitgebreider is dan andere watertoetsen die in ruimtelijke procedures worden opgesteld. De uitdagingen binnen het plangebied zijn van dien aard, dat eventuele effecten voor de omgeving te mitigeren zijn met drainage en de greppelstructuur binnen en rond het plangebied. Effecten ten aanzien van afwatering en waterberging worden voorkomen door voldoende ruimte binnen het plangebied te reserveren voor bergingsvoorzieningen. De watertoets toont volgens Aveco de Bondt aan dat deze mitigerende maatregelen inpasbaar zijn in het plan en het plan realiseerbaar is zonder negatieve gevolgen voor de omgeving. In een waterhuishoudkundig plan worden de details van de waterhuishoudkundige voorzieningen uitgewerkt. Onderdeel van het ontwerp is een toetsing van het watersysteem met een hydrologisch rekenmodel. De resultaten van deze toetsing leiden enkel tot detailwijzigingen van het voorgestelde systeem en hebben geen invloed op de uitvoerbaarheid van de waterhuishoudkundige maatregelen.
Verder concludeert Aveco de Bondt in deze notitie van 13 februari 2026 naar aanleiding van de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] onder meer dat de gehanteerde gegevens voor het bepalen van de grondwaterstand een volledig beeld bieden van de waterhuishoudkundige situatie en dat de watertoets aantoont dat de huidige waterhuishouding niet verslechtert door toedoen van het plan. De beoogde ophoging zorgt volgens Aveco de Bondt niet voor een toename van wateroverlast voor de omgeving door extra toestroom van regenwater vanuit het plangebied of door opstuwing van grondwater. In de watertoets is beschreven dat er waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd om gebiedseigen water vast te houden. Hieronder valt ook het regenwater dat in tuinen valt (in de watertoets wordt een verhardingspercentage voor de tuinen aangehouden van 75%-90%). In het waterhuishoudingsontwerp zijn een wadi, een waterbergende fundering onder de weg en de parkeerplaatsen plus een hemelwaterriool opgenomen. De bergingsvoorzieningen worden gedimensioneerd op een capaciteit van 60 mm per m2 verhard oppervlak, overeenkomend met een bui die eens in de 50 tot 100 jaar voorkomt. Dak- en tuinwater wordt op deze voorzieningen aangesloten. Hierdoor stroomt er geen water van het plan naar de omgeving.
15.4. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de gemiddelde grondwaterstand niet juist is gemeten, omdat er ten onrechte maar een half jaar is gemeten, staat in paragraaf 2.2 van de notitie van Aveco de Bondt van 13 februari 2026 dat de totaalsom van neerslag in de winter van het gemeten jaar, namelijk winter 2024/2025, laag is. De meetperiode loopt van oktober tot en met maart. De lage neerslagsom wordt veroorzaakt doordat de maanden februari en maart droog waren. De natte maanden oktober tot en met januari gecombineerd met de natte voorgeschiedenis voorafgaand aan de meetperiode (uitzonderlijk natte winter en voorjaar van 2023/2024) heeft een representatief beeld opgeleverd van de hoge grondwaterstanden binnen het plangebied. De validatie aan de hand van de metingen van de raad bevestigt dit, zo staat in de notitie van Aveco de Bondt. Op de zitting heeft Aveco de Bondt nog nader toegelicht dat ook rekening is gehouden met zesjarige handmetingen waarmee voldoende inzicht is ontstaan in de grondwatersituatie.
Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] aanvoeren dat de ophoging van het maaiveld zich ten onrechte beperkt tot de grenzen van het plangebied, heeft Aveco de Bondt op de zitting nader toegelicht dat er is gekeken naar de percelen die direct aansluiten op de gronden van het plangebied. Er is niet specifiek gekeken naar het laagste punt in bijvoorbeeld een tuin, want daar stroomt in principe het water niet direct naartoe vanaf de gronden van het plangebied. Er is gekeken naar hoe de gronden van het plangebied aansluiten op de huidige gronden rondom het plangebied. Ook wordt gewezen op paragraaf 6.2 van de notitie van 13 februari 2026 van Aveco de Bondt waarin staat dat de effecten van een ophoging groot kunnen zijn in gebieden met een slappe ondergrond, zoals klei of veen, maar dat in het plangebied sprake is van zand met leemlagen. Deze ondergrond is veel minder gevoelig voor de effecten van ophoging. De ophoging is met een halve meter overigens gering, aangezien het huidige maaiveld gemiddeld op +6,50 m NAP ligt. Omliggende tuinen liggen hoger, variërend van +6,70 m tot +6,90 m. De ophoging ten opzichte van de omgeving is dus nog kleiner. Als deze geringe ophoging al leidt tot samendrukking van de ondergrond en afname van de doorlatendheid, dan is dit binnen het plangebied.
15.5. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de watertoets zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad deze niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. De Afdeling is van oordeel dat de raad voldoende inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishouding ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4]. Daarnaast neemt de Afdeling nog in aanmerking dat de exacte wijze waarop het waterhuishoudingsontwerp bij de uitvoering van het bestemmingsplan wordt vormgegeven, geen betrekking heeft op het bestemmingsplan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
De betogen slagen niet.
Soortenbescherming
16. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan kan leiden tot negatieve effecten op verschillende soorten. Uit het verhandelde op de zitting is gebleken dat hun betoog is toegespitst op de kamsalamander, de kleine marterachtigen, namelijk de bunzing en de wezel, de das en de grootoorvleermuis. Zij verwijzen in dit kader naar twee contra-expertises van Idverde; het rapport "Contra-expertise ecologie, Rietstok te Gemonde" van 20 februari 2025 en het rapport "Vervolg contra-expertise ecologie, Rietstok te Gemonde" van 30 januari 2026.
De Afdeling zal hierna het betoog bespreken en ingaan op de soorten en de bezwaren die op de zitting zijn besproken.
16.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
16.2. De raad heeft aan het plan de volgende onderzoeken ten grondslag gelegd: een quickscan (het rapport "Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Rietstok ong. te Gemonde" van 20 december 2019 van Blom Ecologie B.V. (bijlage 12 bij de plantoelichting), het rapport "Notitie aanvullend marteronderzoek" van 13 mei 2020 van Blom Ecologie B.V. (bijlage 13 bij de plantoelichting), het rapport "Quickscan natuur; Rietstok ong. te Gemonde" van 21 maart 2024 (bijlage 21 bij de plantoelichting) en het rapport "Aanvullend onderzoek ecologie Rietstok te Gemonde" van Blom Ecologie B.V. van 11 september 2024 (bijlage 22 bij de plantoelichting). Vervolgens heeft de raad Blom Ecologie B.V. gevraagd te reageren op het beroep en de daarbij overgelegde contra-expertises. Blom Ecologie B.V. heeft dit op 20 februari 2026 in een aanvullende notitie gedaan.
- Kamsalamander
17. De raad heeft onder verwijzing naar de rapporten van Blom Ecologie B.V. toegelicht dat de verbodsbepalingen op grond van Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de kamsalamander niet worden overtreden. Zo staat in de aanvullende notitie van Blom Ecologie B.V. van 20 februari 2026 dat niet is aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een essentiële migratieroute van de kamsalamander binnen de planlocatie, waar ook geen alternatieve routes voor beschikbaar zijn.
17.1. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting aangevoerd dat voor wat betreft de kamsalamander er een niet officiële onderzoeksmethodiek is gebruikt en dat het onderzoek in een verkeerde onderzoeksperiode is uitgevoerd. De aanwezigheid van de kamsalamander kan niet worden uitgesloten, temeer omdat er al een is aangetroffen op de gronden van het plangebied.
17.2. Op de zitting heeft Blom Ecologie B.V. toegelicht dat omdat 2024 een extreem droog jaar was en alle watergangen waren uitgedroogd er gekozen is voor een andere onderzoeksmethode.
Zo staat ook in het rapport "Aanvullend onderzoek ecologie Rietstok te Gemonde" van Blom Ecologie B.V. van 11 september 2024 dat om de aan- of afwezigheid van de kamsalamander vast te stellen op vijf verschillende momenten de watergangen in en om de planlocatie zijn onderzocht middels schepnetbemonstering. Uit het eerste veldbezoek bleek echter dat de greppels waren drooggevallen, waardoor schepnetbemonstering evenals het plaatsen van fuiken niet mogelijk was. Daarom is besloten vanaf het tweede veldbezoek twaalf amfibieplaten te plaatsen binnen de grenzen van de planlocatie.
In de aanvullende notitie van Blom Ecologie B.V. van 20 februari 2026 staat dat het plaatsen van platen en keren van materiaal inderdaad geen erkende (NGB-protocol) onderzoeksmethode betreft. In het BIJ12 kennisdocument wordt echter aangegeven dat het aantonen van aanwezigheid van de kamsalamander kan middels vijf veldbezoeken, waarbij aanwezig materiaal wordt gekeerd. Omdat de planlocatie wel geschikt landbiotoop biedt is ervoor gekozen om later in het seizoen (gedurende de najaarstrek, van half juli tot en met oktober) aanvullende platen te plaatsen en materiaal in het gebied te keren om ook de trefkans van kamsalamanders buiten de voortplantingsperiode te vergroten. In maart 2024 is tijdens het veldbezoek één kamsalamander waargenomen onder een boomstronk net buiten de planlocatie. Er wordt gesteld dat de planlocatie een vastgestelde migratieroute betreft, maar dat is volgens Blom Ecologie B.V. onzeker. Als het leefgebied niet of minder geschikt is, komt migratie over enkele honderden meters voor. Het is derhalve ook mogelijk dat bij de in maart 2024 waargenomen kamsalamander sprake was van een individu op zoek naar een geschikt voortplantingswater. Het ontbreken van verdere waarnemingen tijdens het controleren van schuilelementen, onderschrijft deze theorie volgens Blom Ecologie B.V. Tot slot wijst Blom Ecologie B.V. er op dat de realisatie van een woonwijk niet zonder meer leidt tot een belemmering van migratie omdat uit de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt van meerdere waarnemingen van de kamsalamander in de achtertuinen van omwonenden, waaronder tussen de straten Lariestraat, Akkerstraat en Dorpsstraat waar geen enkel geschikt oppervlaktewater is. Voor de soort zal het kunnen voortbewegen van noord naar zuid en oost naar west, nog steeds mogelijk zijn, aldus Blom Ecologie B.V.
17.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten waarom de op de rapporten van Blom Ecologie B.V. gebaseerde conclusies over de kamsalamander van de raad niet juist zijn.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- De kleine marterachtigen, namelijk de bunzing en de wezel
18. De raad heeft onder de verwijzing van de rapporten van Blom Ecologie B.V. toegelicht dat de verbodsbepalingen op grond van Wnb voor wat betreft de kleine marterachtigen niet worden overtreden. Zo staat in het rapport "Aanvullend onderzoek ecologie Rietstok te Gemonde" van 11 september 2024 van Blom Ecologie B.V. dat in de periode half juni 2024 tot en met half augustus 2024 onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in Kennisdocument ‘Kleine marterachtigen’. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied.
18.1. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting aangevoerd dat de aanwezigheid van de bunzing niet kan worden uitgesloten, omdat er delen van het plangebied niet zijn meegenomen in het onderzoek. Er is gekeken naar 0,6 ha in plaats van 1 ha, waardoor er te weinig meetpunten zijn geplaatst.
18.2. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen individuen of sporen van kleine marterachtigen zijn aangetroffen binnen het plangebied. Dit standpunt wordt bevestigd in de notitie van 20 februari 2026 gaat Blom Ecologie B.V. Zo staat er dat er in de noordelijk en zuidoostelijk gelegen gebieden voor de bunzing en wezel een habitatgeschiktheidsbeoordeling is uitgevoerd. Het zuidoostelijk gelegen gebied betreft een schapenweide met struweel aan de oostzijde en een sloot die parallel aan het gebied ligt aan de oost- en zuidzijde. Het merendeel van het plangebied biedt geen of zeer beperkte potentie voor kleine marterachtigen omdat de schapen het gebied vrij kort en derhalve open houden. De struwelen kunnen in theorie gebruikt worden als migratieroute en deze blijven in de ontwikkeling behouden. Alhoewel er in het noordelijk gelegen gebied sprake is loodsen en schuren, zijn deze gebouwen van tijdelijke aard waarbij er sprake is van op-, en afvoer op dagelijkse basis. Door deze dagelijks op- en afvoer vindt er veel menselijke verstoring plaats. Alhoewel de gebouwen er op Google Maps dus aantrekkelijk uit lijken te zien voor kleine marterachtigen, schept de daadwerkelijke situatie een ander beeld.
18.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten waarom de hiervoor genoemde op de rapporten van Blom Ecologie B.V. gebaseerde conclusies van de raad over de kleine marterachtigen niet juist zijn.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- De das
19. De raad heeft onder verwijzing naar de rapporten van Blom Ecologie B.V. toegelicht dat de verbodsbepalingen op grond van Wnb voor wat betreft de das niet worden overtreden. Zo staat in de notitie van Blom Ecologie B.V. van 20 februari 2026 dat tijdens het onderzoek de das vijf keer op de wildcamera's is vastgelegd, ook zijn hier drie zogenoemde snuitputjes en een wissel aangetroffen. Een van de snuitputjes en de wissel zijn buiten de gronden van het plangebied aangetroffen op het aangrenzend grasperceel ten oosten. Door de hoge mate aan alternatieven in de directe omgeving in de vorm van weilanden, akkers, bosgebieden en grasland en de lage aantal aangetroffen sporen van de das leidt de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb.
19.1. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen aangevoerd dat de gronden van het plangebied essentieel foerageergebied zijn voor de das. Zij wijzen erop dat ten noorden en ten zuiden van het plangebied dassenburchten zijn gesitueerd en dat de dassen gebruik maken van de gronden van het plangebied om zich van de ene burcht naar de andere burcht te verplaatsen. Door de voorziene woningbouw wordt de migratie van de dassen belemmerd.
19.2. Op de zitting heeft Blom Ecologie B.V. toegelicht dat de waarneming van een das niet betekent dat er sprake is van een essentieel foerageergebied. Er zijn geen aanwijzingen dat als de gronden van het plangebied worden gebruikt voor woningbouw, de dassenburchten die buiten het plangebied zijn gesitueerd niet meer zouden functioneren.
19.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten waarom de op de rapporten van Blom Ecologie B.V. gebaseerde conclusies van de raad over de das niet juist zijn.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- De grootoorvleermuis
20. De raad heeft onder verwijzing naar het rapport "Quickscan natuur; Rietstok ong. te Gemonde" van 21 maart 2024 toegelicht dat de aanwezigheid van vleermuizen is uitgesloten omdat de aanwezige bomen binnen het plangebied niet beschikken over geschikte boomholtes en er geen geschikte bebouwing aanwezig is.
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op de planlocatie is er één boomholte langs de Rietstok gevonden die ten tijde van het veldbezoek werd bewoond door een spreeuw, maar deze boom wordt niet gekapt. De voorziene ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Wegens het ontbreken van muren met spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de aanwezige bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is daarom uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
20.1. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen aangevoerd dat een binnen het plangebied gesitueerde schapenstal niet is onderzocht als mogelijke verblijfplaats voor de grootoorvleermuis. Ook is op de zitting aangevoerd dat een essentiële vliegroute van de grootoorvleermuis aangetast wordt. De grootoorvleermuis zit namelijk in de kerk van Gemonde en de Rietstok is de enige route die ze kunnen gebruiken, wat essentieel zou kunnen zijn, om zich te verplaatsen van de verblijfplaats in de kerk naar de foerageergebieden.
20.2. Op de zitting heeft Blom Ecologie B.V. toegelicht dat de gewone grootoorvleermuis de enige soort is die vrij hangt aan bebouwing, maar het moet wel donker zijn, want het is een lichtschuwe soort. De huidige schapenschuur heeft geen dakpannen, dus het ontbreekt aan donkerte in dat gebouw.
Ten aanzien van de vliegroutes heeft Blom Ecologie B.V. op de zitting toegelicht dat zij geen enkel aanknopingspunt ziet voor de conclusie dat de Rietstok een essentiële vliegroute voor de grootoorvleermuis is. Het is niet zo dat de bomen aan de Rietstok in de toekomstige situatie verlicht gaan worden en de grootoorvleermuis vliegt dusdanig hoog dat ze boven toekomstige straatverlichting zullen vliegen.
20.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten waarom de op de rapporten van Blom Ecologie B.V. gebaseerde conclusies van de raad over vleermuizen niet juist zijn. Ook ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanknopingspunten dat aannemelijk is gemaakt dat de Rietstok een essentiële vliegroute is voor de grootoorvleermuis.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- Conclusie soortenbescherming
21. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op grond van bovenstaande rapporten Blom Ecologie B.V., zoals nader toegelicht op de zitting, redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Verkeer
22. In de kern komt het betoog van [appellant sub 1] en anderen erop neer dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties. Zij wijzen op de verkeerssituatie in de Dorpstraat waar nu al structureel te hard gereden wordt. De door de gemeente toegezegde herinrichting van de Dorpstraat heeft nog steeds niet plaatsgevonden.
Daarnaast komen er door de voorziene ontwikkeling op nauwelijks 60 m afstand van elkaar drie ontsluitingen op de Dorpstraat. Dat is op zich al onwenselijk, die nieuwe ontsluiting wordt bovendien niet haaks op de Dorpsstraat gerealiseerd en dat is in strijd met de anterieure overeenkomst van de gemeente en de ontwikkelaar waarin staat dat de nieuwe ontsluiting op een hoek van 90 graden op de bestaande weg dient te worden gerealiseerd. Dit brengt risico’s mee voor de verkeersveiligheid.
Daarnaast wijzen zij erop dat de ontsluiting van de bestaande woningen aan de [locatie 3] tot en met [locatie 4] en het verder weg gelegen appartementencomplex met éénpersoonswoningen plaatsvindt aan de Rietstok. Langs de Rietstok komen in het plangebied nieuwe woningen, maar de ontsluiting van die nieuwe woningen en van de éénpersoonswoningen voor gemotoriseerd vervoer gaat volgens de plantoelichting plaatsvinden via de nieuwe ontsluiting. De panden [locatie 3] tot en met [locatie 4] blijven volgens die toelichting ontsloten via de Rietstok. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat de Rietstok toch wordt gebruikt als alternatieve ontsluiting voor de nieuwe woningen en de bestaande éénpersoonswoningen terwijl vaststaat dat de aansluiting van de Rietstok op de Dorpstraat daar niet voor geschikt is omdat de Rietstok daar zeer smal is. In dit kader voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de bestaande bebouwing hierom had moeten worden betrokken bij het bestreden plan. De begrenzing van het plangebied had moeten aangepast.
22.1. De Afdeling stelt voorop dat een al bestaand verkeersprobleem niet door een voorziene ontwikkeling hoeft te worden opgelost. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat de Dorpstraat de toename aan motorvoertuigen als gevolg van het voorziene plan aan kan. Zo staat in paragraaf 3.4.3 van de plantoelichting dat de voorziene woningen zorgen voor een worst case verkeersgeneratie van 224 verkeersbewegingen per etmaal en dat de ontsluiting van de voorziene ontwikkeling loopt via de Dorpsstraat. In de huidige situatie rijden er ongeveer 2.500 motorvoertuigen per etmaal over de Dorpsstraat. Een weg zoals deze kan in kleinere kernen en typische woongebieden op basis van landelijke richtlijnen ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken.
Voor zover [appellant sub 1] en anderen erop wijzen dat de Dorpstraat een smalle erftoegangsweg van 30 km per uur is, ziet de Afdeling daarin geen aanleiding om te veronderstellen dat dit betekent dat de Dorpstraat onveiliger wordt door de voorziene ontwikkeling. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] en anderen dat op de Dorpstraat nu al te hard wordt gereden, daargelaten of deze stelling juist is, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.
22.2. Uit paragraaf 3.4.1 van de plantoelichting volgt dat ten behoeve van de ontsluiting van de voorziene ontwikkeling een nieuwe dwarsstraat aan de Dorpsstraat zal komen. Ten westen van het plangebied is de straat de Rietstok gesitueerd en deze straat is ook ontsloten op de Dorpsstraat. Aan de Rietstok zijn enkele bestaande woningen gesitueerd en een bestaand appartementencomplex. De Rietstok zal alleen bestemd gaan worden voor langzaam verkeer. De bestaande woningen aan de [locatie 3] tot en met [locatie 1] zullen nog wel via de Rietstok van en naar de Dorpstraat ontsloten blijven, maar al het andere gemotoriseerd verkeer afkomstig van het bestaande appartementencomplex en van de in het plan voorziene woningen zullen via de nieuwe ontsluitingsweg in het plan ontsloten worden.
22.3. De Afdeling stelt voorop dat in een bestemmingsplan niet hoeft te worden geregeld hoe een weg of ontsluiting verkeerstechnisch wordt ingericht. Verkeerstechnische aspecten hebben geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Dergelijke uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure komt in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan de vraag aan de orde of de raad zich voldoende ervan heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling in en om het plangebied bestaat en/of kan worden gerealiseerd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:654).
22.4. De Afdeling stelt vast dat het deel waarbij de Rietstok aansluit op de Dorpsstraat geen deel uitmaakt van het plangebied. Voor zover [appellant sub 1] en anderen een plangrensbezwaar hebben omdat een deel van de Rietstok geen onderdeel uitmaakt van het plan, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in een nader verweerschrift toegelicht dat de Rietstok in de toekomst alleen nog zal worden gebruikt voor langzaam verkeer en voor gemotoriseerd verkeer van de bestaande woningen aan de [locatie 3] tot en met [locatie 1] . Voor deze wijziging zal een apart verkeersbesluit worden genomen. Op grond van het planologische regime is aan de Rietstok al een verkeersbestemming toegekend. Deze verkeersbestemming blijft bestaan en dus leidt dat niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Voor zover [appellant sub 1] en anderen vrezen dat de Rietstok ook zal worden gebruikt als alternatieve ontsluiting, overweegt de Afdeling dat het treffen van verkeersmaatregelen voor een alternatieve indeling van de Rietstok, zoals hiervoor door de raad uiteen is gezet, een uitvoeringsaspect van het plan betreft dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.
22.5. Ten aanzien van de voorziene nieuwe ontsluiting aan de Dorpstraat stelt de Afdeling vast dat dat de raad bij het vaststellen van het plan rekening heeft gehouden met de beoogde ontsluitingsweg. De gronden waar de ontsluitingsweg wordt aangelegd, hebben op de verbeelding van het plan de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" gekregen. Op grond van artikel 5.1, aanhef en lid a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor ontsluitingswegen. In een nader stuk heeft [partij] toegelicht dat er weliswaar geen bocht van 90 graden zal komen, maar dat primair de afspraak met de gemeente is gemaakt dat de infrastructuur in het plangebied dient te worden aangelegd conform een door de gemeente goed te keuren inrichtingsplan. De gemeente heeft ingestemd met de manier waarop de ontsluitingsweg in het plangebied op de Dorpstraat aantakt, zoals te zien op de verbeelding. In de door de raad overgelegde verkeersnotitie van Grasveld Civiele techniek van 20 februari 2026 wordt dit ook bevestigd. Zo staat er dat door middel van een tekening van de rijcurve is aangetoond dat de bocht voldoende ruimte heeft voor het toekomstige verkeer om de bocht te kunnen nemen van en naar de Dorpsstraat. De Afdeling is gelet op deze toelichting van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat er voldoende ruimte is voor een veilige ontsluiting van het plan. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [partij] erop heeft gewezen dat zij het perceel kadastraal bekend sectie D, nummer 3948, dat net naast de voorziene ontsluitingsweg ligt, in eigendom heeft. Dit perceel valt weliswaar buiten het plangebied, maar kan zo nodig ook gebruikt worden voor een veilige aansluiting op de Dorpstraat, omdat het perceel op grond van het geldende planologische regime ook een verkeersbestemming heeft.
22.6. [appellant sub 1] en anderen hebben in een nader stuk nog diverse andere argumenten naar voren gebracht, onder meer over de toekomstige inrichting van de ontsluitingsweg, de maatvoering van de parkeervakken in het plangebied en de inrichting van toekomstige wegen in het plangebied. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen desgevraagd toegelicht dat de kern van hun betoog is dat op de gronden van het plangebied onvoldoende ruimte is om de infrastructuur in te vullen op een verkeersveilige manier. De raad stelt zich op het standpunt dat er binnen het plangebied voldoende ruimte is en mogelijkheden bestaan om een veilige verkeerssituatie te creëren voor alle weggebruikers. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten waarom dit niet aannemelijk zou zijn.
22.7. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op het voorgaande dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare verkeerssituaties in het plangebied of de directe omgeving daarvan vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
23. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] voeren aan dat het plan voorziet in onvoldoende parkeergelegenheid.
Zo voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat er drie parkeerplaatsen te weinig zullen worden gerealiseerd. Uitgaande van 70% aan starterswoningen is er met een onjuiste parkeernorm gerekend.
Daarnaast voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] aan dat er een onderzoek naar de parkeerdruk had moeten worden verricht, omdat er aan de Rietstok wordt geparkeerd ten behoeve van het bestaande appartementencomplex. Volgens hen is bij het bestaande appartementencomplex niet voorzien in voldoende parkeerplaatsen en dat leidt ertoe dat nu aan de Rietstok wordt geparkeerd.
23.1. De raad stelt in zijn verweerschrift dat in het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om te voldoen aan de geldende parkeernormen. Bestaande functies zoals de eenpersoonswoningen in het bestaande appartementencomplex aan de Rietstok zijn destijds vergund op basis van de toen geldende parkeernormen. Deze woningen beschikken over het vereiste aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor zover er al sprake zou zijn van een parkeerplaatsen tekort, wat volgens de raad niet het geval is, hoeft dat tekort niet opgelost te worden binnen deze nieuwe ontwikkeling. In een nader verweer stelt de raad dat er bij het bestaande appartementencomplex (éénpersoonswoningen) aan de Rietstok 14 parkeerplaatsen moesten worden gerealiseerd en dit ook is gebeurd.
23.2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 10.1.1, lid a, van de planregels een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd - waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet toegestaan is wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Op grond van lid b van dat artikel wordt bij een omgevingsvergunning voor bouwen aan de hand van de op 27 september 2016 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel, inclusief de Parkeernormen Sint-Michielsgestel bepaald/getoetst of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien gedurende de planperiode nieuwe parkeernormen worden vastgesteld door de gemeente, treden deze ter toetsing in de plaats van de genoemde vastgestelde beleidsregels. Dit betekent dat bij de verlening van een omgevingsvergunning zal worden getoetst of in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan kan worden voorzien. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2762. Daarbij geldt dat het bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865.
23.3. In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting staat dat op basis van de beleidsregels de voorziene ontwikkeling leidt tot een parkeerbehoefte van 60 parkeerplaatsen. Het parkeren is evenredig over het plan verdeeld met 30 parkeerplaatsen op eigen terrein van de voorziene woningen en 30 parkeerplaatsen in de openbare ruimte van de gronden van het plangebied.
23.4. Voor zover [appellant sub 1] en anderen erop wijzen dat er drie parkeerplaatsen te weinig worden gerealiseerd, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de parkeernorm voor starterswoningen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken volgt dat, in tegenstelling tot wat [appellant sub 1] en anderen stellen, er niet wordt uitgegaan van 70% aan starterswoningen, maar van 70% aan betaalbare woningen. De raad heeft hiermee bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen rekening gehouden. In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting staat dat daarbij is uitgegaan van een parkeernorm voor starters van het type "Koop, huis gelijk aan twee-onder-een-kap" met een norm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Bij een aantal van zeven starterswoningen zijn in totaal 15,4 parkeerplekken nodig. Ook is uitgegaan van een parkeernorm voor eengezinswoningen van het type "Koop, huis, tussen/hoek" met een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Bij het voorziene aantal van dertien van dit soort woningen zijn 26 parkeerplaatsen nodig. In totaal zullen voor de 70% aan betaalbare woningen 41,4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
In de Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel, waar op grond van artikel 10.1.1 van de planregels aan moet worden getoetst, staat over de parkeernorm voor starters het volgende:
"Om bij ruimtelijke ontwikkelingen de theoretische parkeerbehoefte te bepalen hanteren we als parkeernorm het rekenkundig gemiddelde van het minimum- en het maximumparkeerkencijfer uit de meest recente CROW-publicatie (in september 2016 is dat publicatie 317). Een uitzondering hierop zijn starterswoningen en sociale huurwoningen. Bij deze woningen is veelal sprake van startende tweeverdieners en hanteren wij de parkeerkencijfers voor twee-onder-een-kap koopwoningen. Afhankelijk van de ‘stedelijke zone’ bedragen de parkeernormen dan 1,7 (centrum) tot 2,2 (buitengebied) parkeerplaatsen per woning."
Hiermee rekening houdend heeft de raad voor de starterswoningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Daarmee heeft de raad deugdelijk gemotiveerd waarom een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen voor een starterswoning gehanteerd kan worden. Ook ziet de Afdeling geen aanknopingspunten dat de raad voor de berekening van het aantal eengezinswoningen niet van een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning had mogen hanteren. Gelet hierop ziet de Afdeling niet in dat er een tekort zou zijn van drie parkeerplaatsen.
23.5. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] erop wijzen dat er wordt geparkeerd op de Rietstok omdat er onvoldoende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd bij het bestaande appartementencomplex aan de Rietstok, overweegt de Afdeling dat in deze procedure het plan ter beoordeling voorligt. Het bestaande appartementencomplex aan de Rietstok maakt geen onderdeel uit van het plan. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een bestaand tekort aan parkeerplaatsen in het gebied niet met dit plan hoeft te worden opgelost (zie onder 23.2). De Afdeling stelt vast dat uit de stukken volgt dat het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte op de gronden van het plangebied met de 30 parkeerplaatsen die op het eigen terrein van de voorziene woningen worden gerealiseerd en 30 parkeerplaatsen in de openbare ruimte van de gronden in het plangebied. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in het kader van de vaststelling van dit plan een parkeeronderzoek had moeten laten uitvoeren, zoals [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] betogen.
23.6. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] nog diverse andere argumenten naar voren brengen waarom de toekomstige parkeerplaatsen binnen het plangebied niet goed ingericht zouden worden, overweegt de Afdeling dat deze argumenten mogelijk bij de toetsing van de omgevingsvergunning een rol kunnen spelen, maar in het kader van de vaststelling van dit bestemmingsplan niet tot de conclusie leiden dat niet in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan kan worden voorzien.
23.7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onjuiste parkeernormen heeft gehanteerd dan wel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
De betogen slagen niet.
Cultuurhistorische en monumentale waarden
24. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat de voorziene ontwikkeling zal leiden tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de omgeving.
Ook voeren zij aan dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat de cultuurhistorische waarden niet bij de beoordeling van het plan zijn betrokken. Zij wijzen erop dat het landschap wel degelijk waarde heeft, omdat de gronden van het plangebied deel uitmaken van een gebied dat per 25 september 2023 is opgenomen op de kaart "Groen Erfgoed" van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als landschap met oude boskernen, houtwallen en heggen. De raad heeft dit niet betrokken in zijn belangenafweging. Verder voorziet het plan in bebouwing in een groot deel van de tuin van het gemeentelijke monument aan de [locatie 5], waardoor er sprake is van het verstoren en wijzigen van een monument.
[appellanten sub 4] voeren aan dat onvoldoende is onderzocht welke gevolgen de voorgenomen ontwikkeling zal hebben voor de twee monumentale paardenkastanjes op het perceel aan [locatie 5].
24.1. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat in het plan rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied.
Zo is in paragraaf 5.2.2 van de plantoelichting en in paragraaf 3.1 van de nota van zienswijzen gemotiveerd waarom de voorziene ontwikkeling uit het oogpunt van cultuurhistorische waarden aanvaardbaar is.
Voor zover wordt gewezen naar de landschapswaardes op de kaart "Groen Erfgoed" van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, stelt de raad in zijn verweerschrift dat de kaart "Groen Erfgoed" slechts een signaalfunctie heeft om de waarde van het landschap onder de aandacht te brengen en dat de raad wel degelijk rekening heeft gehouden met de landschapskenmerken. In de paragrafen 3.1, 4.2.2.2 en 5.2.2.2 van de plantoelichting is nader uiteengezet waarom het plan juist leidt tot versterking van de bestaande kwaliteit van het landschap, aldus de raad. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de landschapskenmerken.
Ten aanzien van het monumentale pand [locatie 5], stelt de raad in zijn verweerschrift dat de monumentale waarde van het pand niet wordt aangetast door het plan. Het pand zelf wordt niet veranderd en het feit dat een deel van de bijbehorende tuin wel onderdeel wordt van de nieuwe ontwikkeling doet daar niet aan af. De tuin maakt geen onderdeel uit van de redengevende beschrijving behorende bij het aangewezen monument [locatie 5]. [appellant sub 1] en anderen hebben dit standpunt niet bestreden.
Gelet op het voorgaande, heeft de raad het bestemmingsplan niet vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, vijfde lid, onder a, van het Bro.
Het betoog slaagt niet.
24.2. Ten aanzien van de monumentale paardenkastanjes staat in paragraaf 4.3.4 van de plantoelichting dat de afstand tussen de stam van de bomen en grens van de gronden van het plangebied ongeveer 7 m is en dat de gronden van het plangebied buiten de kroonprojectie van de bomen zijn gesitueerd. Het is niet aannemelijk, dat er binnen de plangrenzen belangrijke wortels van de bomen aanwezig zijn. Op grond van artikel 7.4.2 van de planregels mag de omgevingsvergunning voor het bouwen voor de woning direct aansluitend aan de oostzijde van [locatie 5] pas worden verleend wanneer middels een Boomeffectanalyse is aangetoond dat de monumentale paardenkastanjes door de ontwikkeling niet worden aangetast of wanneer een beschermingsplan voor de bomen is opgesteld en de noodzakelijke maatregelen worden getroffen en behouden.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling niet in dat onvoldoende rekening is gehouden met de monumentale paardenkastanjes.
Het betoog slaagt niet.
Beroepen tegen het herstelplan
25. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] tegen het herstelplan zijn, gelet op het vorenstaande, ongegrond.
Beroep tegen het besluit van 26 oktober 2023
26. Zoals onder 5 is overwogen, is het besluit van 26 oktober 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde", bij het herstelbesluit van 11 december 2025 vervangen. Omdat het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het herstelplan ongegrond is en dit herstelplan het plan vervangt, leidt dit ertoe dat het bij besluit van 26 oktober 2023 vastgestelde plan geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en anderen geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroep tegen dat plan. In verband hiermee is het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 26 oktober 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" niet-ontvankelijk.
Proceskosten
27. Gebleken is dat de raad in het herstelbesluit naar aanleiding van het ingediende beroep van [appellant sub 1] en anderen wijzigingen in het plan heeft doorgevoerd waarmee is beoogd om deels aan dat beroep tegemoet te komen. Onder omstandigheden kan dit aanleiding geven om de raad te veroordelen tot vergoeding van de bij [appellant sub 1] en anderen opgekomen proceskosten. Dat is hier ook aan de orde.
28. [appellant sub 1] en anderen hebben een proceskostenformulier overgelegd waarin zij vragen om vergoeding van deskundigenkosten. Blijkens de door hen overgelegde facturen gaat het om kosten voor het opstellen van het rapport "Contra-expertise ecologie, Rietstok te Gemonde" van 20 februari 2025 en het rapport "Vervolg contra-expertise ecologie, Rietstok te Gemonde" van 30 januari 2026.
De contra-expertise van 20 februari 2025 is opgesteld vóór het herstelbesluit. Gelet op hetgeen is overwogen onder 27 zullen deze kosten moeten worden vergoed.
De Afdeling heeft het rapport "Vervolg contra-expertise ecologie, Rietstok te Gemonde" van 30 januari 2026 betrokken in de overwegingen 16 en verder. De Afdeling heeft vervolgens geconcludeerd dat de betogen met betrekking tot de soortenbescherming waarop de contra-expertise van 30 januari 2026 ziet, niet slagen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de raad op te dragen deze kosten te vergoeden. Gelet hierop ziet de Afdeling ook geen aanleiding om de deskundigenkosten voor het bijwonen van de zitting te vergoeden.
29. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4].
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 26 oktober 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 1E], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 11 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" niet-ontvankelijk;
III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen voor het overige en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 11 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietstok, Gemonde" ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 8.136,96, waarvan € 2.335,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 5.747,51 toe te rekenen aan een deskundige, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
867