202504728/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Coöperatieve Agrarische Bedrijfsverzorging AB Midden Nederland U.A. (AB), gevestigd in Houten,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 9 juli 2025 in zaken nrs. 23/4989 en 23/4990 in de gedingen tussen:
AB
en
het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 22 september 2021 heeft het college aan AB twee lasten onder dwangsom opgelegd.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2023 heeft het college de door AB daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het door AB daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft AB hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar AB, vertegenwoordigd door mr. M.G. van Westrenen, advocaat in Hilversum, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ralović, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de besluiten van 22 september 2021 heeft het college aan AB twee lasten onder dwangsom opgelegd om binnen vier weken na de verzending van de besluiten kamerverhuur in de woningen op de adressen [locatie 1] en [locatie 2] in Maarssen te beëindigen en beëindigd te houden. Bij brieven van 25 mei 2022 en 21 juni 2022 heeft het college kenbaar gemaakt voornemens te zijn om de verbeurde dwangsommen in te vorderen.
Op 31 juli 2022 heeft AB bij afzonderlijke bewaarschriften bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 22 september 2021. AB heeft in de bezwaarschriften gesteld dat zij pas op 27 juni 2022 kennis heeft genomen van de besluiten van 22 september 2021, waardoor zij daar niet eerder bezwaar tegen heeft kunnen maken.
Bij de besluiten van 30 augustus 2023 heeft het college de bezwaren, onder verwijzing naar de adviezen van de adviescommissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren te laat zijn ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de besluiten van 22 september 2021 zijn verzonden en er zijn onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld, aldus het college.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat AB te laat bezwaar heeft gemaakt. Volgens de rechtbank heeft het college weliswaar de aangetekende verzending van de besluiten van 22 september 2021 niet aannemelijk gemaakt, maar de verzending daarvan per gewone post wel. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten zijn voorzien van een juiste adressering en een verzenddatum, dat het college beschikt over een deugdelijke verzendadministratie en dat niet is gebleken van (recente) problemen bij de verzending van poststukken. Ook de e-mail van de voormalige CEO van AB van 19 oktober 2021 is volgens de rechtbank een aanwijzing dat het besluit van 22 september 2021 met betrekking tot de woning aan [locatie 2] moet zijn ontvangen, omdat hij daarin refereert aan deze woning. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de enkele mondeling overgebrachte verklaring op zitting dat de managementassistente en de voormalige CEO van AB zich niet kunnen herinneren de besluiten van 22 september 2021 te hebben gezien, onvoldoende is om het vermoeden van de ontvangst ervan te ontzenuwen.
3. AB betoogt dat de rechtbank ten onrechte de verzendadministratie van het college voor de verzending per gewone post heeft beoordeeld, omdat de verzending daarvan per definitie minder goed te controleren is dan bij aangetekende verzending. Uit de toelichting die het college op de verzending van de besluiten heeft gegeven volgt niet aan welk postvervoerbedrijf de besluiten zijn aangeboden. Daarmee is dus niet aannemelijk gemaakt dat de besluiten zijn verzonden. AB heeft vervolgens wel binnen zes weken nadat zij van de besluiten kennis heeft genomen daartegen bezwaar gemaakt. AB voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bericht van 19 september 2021 van haar toenmalige CEO een aanwijzing is dat het besluit van 22 september 2021 met betrekking tot [locatie 2] door haar moet zijn ontvangen, omdat dit slechts een onbewezen vermoeden is.
3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de besluiten van 22 september 2021 zowel aangetekend als per gewone post heeft verzonden. Het was dus aan de rechtbank om te beoordelen of, nadat zij de aangetekende verzending daarvan niet aannemelijk heeft geacht, het college de verzending per gewone post wel aannemelijk heeft gemaakt. Als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het gebruik maken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Vereist is wel dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.
3.2. Wat AB in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de verzending van de besluiten van 22 september 2021 aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat verzending per gewone post minder betrouwbaar is dan aangetekende verzending is hiertoe onvoldoende. Dat uit de uitdraai uit zaaksysteem Squit niet volgt aan welk postvervoerbedrijf de besluiten zijn aangeboden kan evenmin tot dat oordeel leiden. Uit de door het college ter zitting gegeven toelichting, die wordt ondersteund door de zich in de stukken bevindende e-mail van Post NL van 17 februari 2025 over de aangetekende verzending van de besluiten van 22 september 2021, volgt genoegzaam dat PostNL het vaste postvervoerbedrijf is waarvan het college voor de verzending van besluiten en andere documenten gebruikmaakt.
3.3. Het betoog faalt alleen al hierom. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan een beoordeling van wat de rechtbank heeft overwogen over de bewijskracht van de e-mail van de voormalige CEO van AB.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
809