202601977/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 17 april 2026 heeft de examencommissie Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie (de examencommissie) aan [appellante] medegedeeld dat als zij meent dat zij tijdens haar scriptietraject onbehoorlijk is behandeld, zij een klacht kan indienen bij de Ombudsfunctionaris en dat niet meer inhoudelijk over dit scriptietraject met haar wordt gecorrespondeerd.
Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. E.A. Jousma, is verschenen.
Overwegingen
1. Bij e-mail van 13 maart 2026 heeft [appellante] de examencommissie verzocht om een nadere uitleg en motivering van de wettelijke grondslag van beslissingen van de examencommissie gedurende de herkansing van haar scriptietraject. Het gaat hierbij om de herplaatsing naar een ander scriptiethema in het studiejaar 2022-2023, zonder de waarborgen van de procedure, zoals toegang tot Brightspace, de wijziging van het aantal en/of de structuur van de deeltoetsen binnen het Bachelor Thesis Project in het studiejaar 2025-2026, het opleggen van een formeel excuus als voorwaarde voor voortzetting van het scriptietraject vanaf het studiejaar 2023-2024, het niet toepassen of wijzigen van de gestructureerde begeleidingsonderdelen zoals opgenomen in de scriptiesyllabus 2024-2025, waaronder begeleidingsgesprekken en deelname aan peer review en het opleggen van aanvullende inschrijvingseisen en het daarin aanbrengen van wijzigingen.
Bij e-mail van 20 maart 2026 heeft de examencommissie [appellante], die inmiddels haar bachelortitel had behaald, medegedeeld dat zij dit verzoek niet inhoudelijk zal behandelen, omdat alle juridische procedures rondom de herkansing van haar scriptietraject tot een einde zijn gekomen, hetzij door middel van de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:952), hetzij door een minnelijke schikking.
Bij e-mail van 30 maart 2026 heeft [appellante] haar verzoek van 13 maart 2026 herhaald.
Bij de e-mail van 17 april 2026 heeft de examencommissie aan [appellante] medegedeeld dat als zij meent dat zij tijdens haar scriptietraject onbehoorlijk is behandeld, zij een klacht kan indienen bij de Ombudsfunctionaris en dat niet meer inhoudelijk over dit scriptietraject met haar wordt gecorrespondeerd.
Bij het besluit van 30 juni 2026 heeft het CBE het door [appellante] tegen de e-mail van 17 april 2026 ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze e-mail geen beslissing is als bedoeld in artikel 7:61, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de WHW). Volgens het CBE zijn in deze e-mail alleen informatieve mededelingen aan [appellante] gedaan die naar hun aard en inhoud niet gericht zijn op enig rechtsgevolg.
2. [appellante] betoogt dat de examencommissie met de e-mail van 17 april 2026 wel degelijk een beslissing als bedoeld in artikel 7:61, eerste lid, aanhef en onder e, van de WHW heeft genomen. De examencommissie heeft met deze e-mail haar verzoek om de rechtsgrondslag van beslissingen die tijdens het herkansingstraject zijn genomen afgewezen. De afwijzing van een verzoek betreffende de rechtsgrondslag van maatregelen die de rechten van een persoon aantasten is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), omdat die de rechtspositie van de autoriteit bepaalt en rechtsgevolgen heeft voor de verzoeker, aldus [appellante].
2.1. De schriftelijke weigering om een besluit te nemen wordt op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften voor bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. De Afdeling merkt de e-mail van de examencommissie van 17 april 2026 aan als een weigering op het verzoek van [appellante] van 30 maart 2026 te beslissen. De vraag die voorligt is dus of een inhoudelijke beslissing op een verzoek om de rechtsgrondslag kenbaar te maken is aan te merken als een besluit.
2.2. Bij de beantwoording van deze vraag is bepalend of het kenbaar maken van de wettelijke grondslag van beslissingen op basis waarvan de herkansing van het scriptietraject van [appellante] is vormgegeven gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte mededeling is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen.
2.3. Het kenbaar maken van de wettelijke grondslag van een eerder genomen besluit is geen besluit, omdat dit niet gericht is op een rechtsgevolg. Daarmee wordt geen bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak beoogd bindend vast te stellen of daarin verandering te brengen. Daargelaten of de door [appellante] genoemde beslissingen die in het kader van haar scriptietraject zijn genomen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb die zijn toe te rekenen aan de examencommissie, zou het kenbaar maken van de wettelijke grondslag op basis waarvan deze besluiten zijn genomen, louter informatief van aard zijn.
2.4. Gelet op het voorgaande heeft het CBE het administratief beroep van [appellante] terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.5. Het betoog faalt.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
809