ECLI:NL:RVS:2026:5017

ECLI:NL:RVS:2026:5017

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202601874/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 6 februari 2026 heeft de examinator van de Faculty of Psychology and Neuroscience van de Universiteit Maastricht aan [appellant] voor het vak Bad Habits het cijfer 4,3 toegekend. De examinator heeft bij de beslissing van 6 februari 2026 aan [appellant] het cijfer 4,3 voor het vak Bad Habits toegekend. [appellant] heeft tegen die beslissing administratief beroep ingesteld bij het CBE. Het CBE heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] dat te laat heeft ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. [appellant] voert in beroep aan dat hij te maken had met onvoorziene omstandigheden en dat hij daarna zo spoedig mogelijk administratief beroep heeft ingesteld.

Uitspraak

202601874/1/A2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 6 februari 2026 heeft de examinator van de Faculty of Psychology and Neuroscience van de Universiteit Maastricht aan [appellant] voor het vak Bad Habits het cijfer 4,3 toegekend.

Bij beslissing van 20 mei 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar [appellant] via een videoverbinding en het CBE, vertegenwoordigd door mr. M. van den Hove, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De examinator heeft bij de beslissing van 6 februari 2026 aan [appellant] het cijfer 4,3 voor het vak Bad Habits toegekend. [appellant] heeft tegen die beslissing administratief beroep ingesteld bij het CBE. Het CBE heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] dat te laat heeft ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. [appellant] voert in beroep aan dat hij te maken had met onvoorziene omstandigheden en dat hij daarna zo spoedig mogelijk administratief beroep heeft ingesteld.

2.1. De beslissing van de examinator is op 6 februari 2026 aan [appellant] bekend gemaakt. De termijn voor het schriftelijk indienen van administratief beroep bedraagt op grond van artikel 7.59a, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zes weken. De termijn voor het indienen van het administratief beroep eindigde dus op 20 maart 2026. Vaststaat dat het administratief beroep van [appellant] van 3 april 2026 te laat is ingediend. [appellant] heeft in administratief beroep desgevraagd naar voren gebracht dat de termijnoverschrijding te wijten is aan onduidelijkheid over de start van de beroepstermijn, het zoeken naar een oplossing voor het onderhavige geschil bij de vakcoördinator en het afwachten van de herbeoordeling naar aanleiding van de inzage. Het CBE heeft in de beslissing van 20 mei 2026 uiteengezet waarom het deze omstandigheden niet aanmerkt als verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding. Volgens het CBE is het eindcijfer op 6 februari 2026 bekendgemaakt, waardoor over de aanvang van de beroepstermijn geen onduidelijkheid kan hebben bestaan. Het CBE heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beroepstermijn en het loket waar beroep kon worden ingesteld duidelijk waren vermeld bij de bekendmaking van de beoordeling. Dat [appellant] aanvankelijk contact heeft gezocht met de vakcoördinator en de herbeoordeling afwachtte, zijn volgens het CBE geen bijzondere of onvoorziene omstandigheden die een termijnoverschrijding rechtvaardigen. Verder heeft het CBE gewezen op de mogelijkheid om pro forma beroep in te dienen.

2.2. [appellant] heeft in beroep niet aangevoerd waarom dit oordeel van het CBE onjuist zou zijn. Het betoog dient daarom te falen.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

809

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.A. Komduur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand