202502959/1/R1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 april 2025 in zaak nr. 24/691 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2022 is het college overgegaan tot invordering bij [appellant] van € 31.000,00 aan verbeurde dwangsommen.
Bij besluit van 5 januari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Hoogewerf, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college [appellant] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het adres [locatie] in Badhoevedorp uiterlijk op 1 december 2021 te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 15.500,00 per overtreding, dus een maximum van € 31.000,00. Het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen door [appellant] ingestelde beroep is bij uitspraak van 2 juni 2023 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden (ECLI:NL:RVS:2026:4928) heeft de Afdeling het hoger beroep tegen de uitspraak van 2 juni 2023 ongegrond verklaard.
2. Op 23 maart 2022 is door een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat de aanbouw door de neef van [appellant] en zijn vriendin wordt bewoond. Op 14 oktober 2022 is door deze toezichthouder vastgesteld dat de aanbouw er nog ongewijzigd staat, het appartement volledig is ingericht met een woonkamer, een slaapkamer, een keuken en badkamer/toilet en dat dit door de neef van [appellant] en zijn vriendin wordt bewoond. Het college heeft zich, gelet op deze constateringen, op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aan de last heeft voldaan en is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen met een totale hoogte van € 31.000,00.
Toetsingskader
3. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
Gronden hoger beroep
Duidelijkheid last
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last onduidelijk was en hij niet wist hoe hij aan de last moest voldoen. Volgens hem blijkt uit de last niet of het nodig is om naast het beëindigen van zelfstandige bewoning ook de aanbouw te verwijderen. De rechtbank heeft in dat kader verder ten onrechte geen belang gehecht aan de mededelingen namens het college op de hoorzitting in de bezwaarprocedure tegen de last, de aan hem gerichte brief van 15 juni 2022 van het college naar aanleiding van deze hoorzitting en de mededelingen van de toezichthouder tijdens de controle in oktober 2022.
4.1. De rechtbank is gemotiveerd op de grond van [appellant] over de onduidelijkheid van de last ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.2 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel geen gronden over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom kunnen worden aangevoerd en dat geen sprake is van een evident gebrek dat noopt tot een uitzondering op dit uitgangspunt.
Het betoog slaagt niet.
Vaststelling verbeurte
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vaststelling van de verbeurte van de dwangsom niet deugdelijk is geweest. Volgens [appellant] was de controle op 14 oktober 2022 onvolledig en onduidelijk. Tijdens deze controle is volgens hem door de toezichthouder gezegd dat alleen door te stoppen met verhuur van de zelfstandige woning, hij aan de last kon voldoen, maar dat later onjuist bleek te zijn. Het college wisselde in dit kader meermaals van standpunt, wat ertoe leidde dat [appellant], op dat moment zonder rechtsbijstand, niet wist waar hij aan toe was wat betreft de inhoud van de last en daarmee in onzekerheid verkeerde over de wijze van voldoening aan de last. Volgens [appellant] zijn de feiten niet op duidelijke wijze vastgesteld en gecommuniceerd. Hierom is de invorderingsbeschikking in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen.
5.1. De begunstigingstermijn liep tot en met 1 december 2021.
Op 23 maart 2022 en 14 oktober 2022 is geconstateerd dat de aanbouw ongewijzigd was en nog steeds was ingericht voor bewoning en werd bewoond. Deze constateringen zijn door [appellant] niet betwist. Het college heeft op grond van de constateringen, die plaatsvonden na het einde van de begunstigingstermijn, tot de conclusie kunnen komen dat [appellant] niet aan de opgelegde last heeft voldaan en daarmee dwangsommen heeft verbeurd. Wat er door de toezichthouder bij de controle op 14 oktober 2022 is meegedeeld over hoe aan de last kon worden voldaan is dan ook, wat er verder van zij, niet relevant omdat de dwangsommen toen reeds waren verbeurd. Het door [appellant] aangevoerde biedt verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er bij voornoemde controles niet zorgvuldig is gehandeld en de feiten niet op de juiste wijze zijn vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van invordering. Hij wijst er op dat de last onder dwangsom nog niet onherroepelijk was en dat de termijnoverschrijding van zijn bezwaar tegen de last verschoonbaar moet worden geacht. Verder is de dwangsom onevenredig hoog en is hij gezien zijn financiële draagkracht niet in staat om de verbeurde dwangsommen te betalen. Dit zal tot zijn faillissement leiden.
6.1. De rechtbank is gemotiveerd op de grond van [appellant] dat er bijzondere omstandigheden zijn ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De omstandigheid dat de last nog niet onherroepelijk was ten tijde van het invorderingsbesluit is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van invordering af moet worden gezien. Bij uitspraak van heden (ECLI:NL:RVS:2026:4928) heeft de Afdeling overigens geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de termijnoverschrijding van het bezwaar tegen de last niet aan [appellant] kan worden toegerekend, zodat de last inmiddels wel onherroepelijk is.
Voor het oordeel dat de financiële draagkracht van [appellant] zou moeten leiden tot het afzien van invordering is verder evenmin voldoende grond. De enkele, in hoger beroep niet onderbouwde, stellingen van [appellant] dat hij deels afgekeurd is en het betalen van de dwangsommen tot zijn faillissement zal leiden, zijn daarvoor onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
580