ECLI:NL:RVS:2026:5021

ECLI:NL:RVS:2026:5021

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202402597/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

In het besluit van 16 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem een omgevingsvergunning aan [partij] verleend voor het realiseren van een drijvende bootoverkapping (het botenhuis) op het perceel [locatie] in Woubrugge. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo ter legalisatie van een al gebouwd botenhuis van [partij]. Het college heeft daarbij gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). [appellant] is omwonende en vreest voor aantasting van zijn woongenot. Hij betwist dat het college in dit geval gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken.

Uitspraak

202402597/1/R3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2024 in zaak nr. 21/7959 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem.

Procesverloop

In het besluit van 16 juli 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [partij] verleend voor het realiseren van een drijvende bootoverkapping (het botenhuis) op het perceel [locatie] in Woubrugge.

In het besluit van 11 november 2021 heeft het college door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In de uitspraak van 7 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3005) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie & Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door W.J. Brakenhoff, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 juni 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo ter legalisatie van een al gebouwd botenhuis van [partij]. Het college heeft daarbij gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

[appellant] is omwonende en vreest voor aantasting van zijn woongenot. Hij betwist dat het college in dit geval gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken.

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroepsgronden

Openbaarheid uitspraak rechtbank

4. [appellant] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank niet in lijn met artikel 8:78 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) openbaar is gemaakt. [appellant] kan geen gegevens vinden dat de uitspraak in het openbaar is gedaan op 13 maart 2024. Tijdens de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting waar de uitspraak in het openbaar werd uitgesproken.

4.1. Op grond van artikel 8:78 van de Awb geschiedt de uitspraak van de bestuursrechter in het openbaar. Maar zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2886), onder 5, verplicht de bepaling niet dat uitspraken publiekelijk worden voorgelezen. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat andere manieren van openbaarmaking ook toelaatbaar zijn, zoals het opnemen van de tekst van de uitspraak in een register dat voor iedereen toegankelijk. De openbaarmaking van de rechterlijke beslissing mag in ieder geval niet later plaatsvinden dan op de dag van de bekendmaking van die beslissing door verzending van een afschrift ervan aan partijen als bedoeld in artikel 8:79 van de Awb.

4.2. De Afdeling overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2024 vermeld staat dat op 13 maart 2024 een afschrift van de uitspraak is verzonden aan partijen. Ook is de uitspraak op 11 maart 2024 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Hierdoor heeft de rechtbank de uitspraak in overeenstemming met artikel 8:78 van de Awb openbaar gemaakt.

Het betoog slaagt niet.

Afwijkingenbeleid

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het botenhuis vergund kan worden met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Het botenhuis is namelijk in strijd met de specifieke beoordelingscriteria uit het Afwijkingenbeleid ruimtelijk ordening 2020 (het Afwijkingenbeleid), omdat er volgens het Afwijkingenbeleid sprake moet zijn een erf. De gronden waarop het botenhuis is gerealiseerd, zijn alleen geen onderdeel van het erf. Deze gronden kennen namelijk de bestemming "Water" en volgens de planregels van het geldende bestemmingsplan "Kernen Woubrugge-Hoogmade" is deze bestemming niet bestemd om te gebruiken ten dienste van wonen. Dit volgt volgens [appellant] uit het feit dat er op grond van de bestemming "Water" niet gebouwd mag worden en er geen steiger mag worden aangelegd. Hierdoor is een inrichting ten dienste van de woning niet toegelaten, waardoor er geen sprake is van een erf. [appellant] verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1914), onder 6.1.

Ook is er volgens [appellant] geen sprake van een erf, omdat de gronden waarop het botenhuis is gerealiseerd grenzen aan openbaar vaarwater en er een aanlegvergunningstelsel van toepassing is op grond van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1". Doordat geen sprake is van een erf, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Als het college van het Afwijkingenbeleid wil afwijken moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden en geldt een zware motiveringsplicht. Van bijzondere omstandigheden is volgens [appellant] ook geen sprake.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:571) volgt dat alleen voor de toepassing van artikel 2 van bijlage II van het Bor van belang is of gronden onderdeel zijn van het erf. Voor de toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor is het verder niet relevant of de gronden onderdeel zijn van het erf. Het begrip ‘erf’ komt in artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor ook niet voor.

Verder heeft het college tijdens de zitting toegelicht dat in het Afwijkingenbeleid niet is beoogd aan te sluiten bij de betekenis van ‘erf’ in de zin van het Bor, maar dat ‘erf’ gelijk staat aan ‘perceel’. Dit volgt uit de systematiek van het Afwijkingenbeleid, waarin alleen wordt voorzien in situaties waar het bijbehorende bouwwerk ten dienste van een woning in het voor-, zij- of achtererfgebied staat. Dit betekent dat, wanneer de betekenis van ‘erf’ uit het Bor zou worden gevolgd, het Afwijkingenbeleid niet zou voorzien in situaties waarin een bijbehorend bouwwerk ten dienste van een woning op gronden staat die niet onderdeel zijn van het erf.

5.2. Artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat het achtererfgebied het erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

Artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat het erf het al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

5.3. De verlening van de omgevingsvergunning in het besluit van 11 november 2021 is gemotiveerd aan de hand van de specifieke beoordelingscriteria uit paragraaf 4.2 van het Afwijkingenbeleid voor bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen ervan in het achtererfgebied en niet naar openbaar gebied gekeerd zijerf, omdat het botenhuis volgens het college in het achtererfgebied valt. De vraag is allereerst of de gronden waarop het botenhuis is gerealiseerd inderdaad onderdeel uitmaken van het achtererfgebied.

5.4. Gronden kunnen pas onderdeel uitmaken van het achtererfgebied, wanneer eerst is vastgesteld dat deze gronden behoren tot het erf. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord hoe het begrip ‘erf’ in het Afwijkingenbeleid moet worden uitgelegd. De lijst met begripsbepalingen in bijlage I van het Afwijkingenbeleid bevat geen definitie van het begrip ‘erf’. In het Afwijkingenbeleid is ook niet bepaald dat met het begrip ‘erf’ wordt beoogd aan te sluiten bij de begripsbepalingen van het Bor. Omdat het Afwijkingenbeleid, hoofdstuk 4, ziet op de toepassing van bijlage II van het Bor, waarbij per onderdeel van artikel 4 van deze bijlage specifieke beoordelingscriteria zijn gegeven, ziet de Afdeling evenwel aanleiding om voor de uitleg van de begrippen in het Afwijkingenbeleid aan te sluiten bij de begripsbepalingen van het Bor. Dat het begrip ‘erf’ niet voorkomt in artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor, maakt dit niet anders. Zo worden in paragraaf 4.2 van het Afwijkingenbeleid ook andere begrippen uit het Bor gebruikt die niet voorkomen in dat artikel, waarbij gelet op bijlage I van het Afwijkingenbeleid, wel duidelijk is beoogd om aan te sluiten bij het Bor, zoals ‘voorgevelrooilijn’. Gelet op het vorenstaande, moet ‘erf’ naar het oordeel van de Afdeling worden uitgelegd als ‘erf’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. De omstandigheid dat bij deze uitleg van het begrip "erf" in paragraaf 4.2 van het Afwijkingenbeleid niet zou zijn voorzien in situaties waarin een bijbehorend bouwwerk ten dienste van een woning op gronden staat die niet onderdeel zijn van het erf is gelet op wat hiervoor is overwogen onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

5.5. Niet in geschil is dat de gronden met de bestemming "Water" waarop het botenhuis is gerealiseerd niet kunnen worden aangemerkt als ‘erf’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor en dus ook niet kunnen worden aangemerkt als onderdeel van het ‘achtererfgebied’. Omdat het Afwijkingenbeleid alleen maar voorziet in situaties waar het bijbehorende bouwwerk in het voor-, zij- of achtererfgebied staat, is het Afwijkingenbeleid dus niet van toepassing op deze situatie. Dit betekent dat het college bij de motivering van het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen niet het Afwijkingenbeleid had mogen toepassen, maar los daarvan een zelfstandige afweging had moeten maken. Het besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

5.6. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het voorgaande niet betekent dat het botenhuis alleen maar had mogen worden vergund wanneer sprake was van bijzondere omstandigheden. Er hoeft namelijk alleen sprake te zijn van bijzondere omstandigheden wanneer een initiatief in strijd is met Afwijkingenbeleid en dat is hier niet het geval. Omdat het Afwijkingenbeleid niet van toepassing is op deze situatie, kan ook geen sprake zijn van strijdigheid met het Afwijkingenbeleid.

Overige hoger beroepsgronden

6. Omdat al vast is komen te staan dat het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen ondeugdelijk is gemotiveerd, behoeven de overige hoger beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie van het hoger beroep

7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 11 november 2021 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar nemen.

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Judiciële lus

9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

Overschrijding redelijke termijn

10. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

10.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 22 augustus 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met veertien maanden overschreden. Deze overschrijding moet de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 9/14e deel aan de rechtbank en voor 5/14e deel aan de Afdeling worden toegerekend.

10.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.

10.4. Het college hoeft geen proceskosten voor het verzoek te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2024 in zaak nr. 21/7959;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van 11 november 2021 met kenmerk 51340 gegrond;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 460,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1500,00 te betalen (€ 964,29 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 535,71 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

884-1176

BIJLAGE

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk;

a. binnen de bebouwde kom,

b. buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

2°. de oppervlakte niet meer dan 150 m2, en

3°. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden;

[…]

Bestemmingsplan "Kernen Woubrugge-Hoogmade"

Artikel 17.1

De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. waterberging- en -huishouding;

b. waterlopen en -partijen;

c. bruggen voor de ontsluiting van aangrenzende percelen;

d. ter plaatse van de aanduiding ‘steiger’: tevens voor steigers;

alsmede voor:

e. groenvoorzieningen;

f. nutsvoorzieningen;

g. infiltratievoorzieningen;

h. kruisingen en overbruggen ten hoeve van verkeersdoeleinden.

Afwijkingenbeleid ruimtelijke ordening 2020

Paragraaf 4.2 Buitenplanse kruimgevallen

Aan verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van de ‘kruimelgevallenregeling’ (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo) wordt medewerking verleend voor zover er geen strijdigheid optreedt met de algemene uitgangspunten alsmede het in deze paragraaf bepaalde en het initiatief voldoen aan de haalbaarheidstoets van hoofdstuk 5. Uit deze toets moet blijken dat het initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Strijdigheid met een van de specifieke beoordelingscriteria binnen deze paragraaf leidt in algemene zin tot de conclusie dat er een negatieve grondhouding bestaat ten aanzien van het initiatief. Dit betekent niet dat het initiatief in alle gevallen niet mogelijk is, maar dat er bijzondere omstandigheden moeten zijn en een zware motiveringsplicht geldt om de negatieve grondhouding in een positieve grondhouding te veranderen.

Zijn er geen specifieke beoordelingscriteria genoemd en meldt het beleid dat per geval beoordeeld moet worden, waarbij aangesloten wordt bij de regels zoals in deze paragraaf uiteengezet, dan betekent dit dat voor dat betreffende initiatief nog beoordeeld dient te worden of er voor dat betreffende geval specifieke criteria zijn die meegewogen moeten worden. Vervolgens dient het initiatief getoetst te worden aan de haalbaarheidscheck uit hoofdstuk 5.

Aangezien de kruimelgevallenregeling slechts toegepast kan worden met toepassing van de in de wet bepaalde gevallen, worden de beleidsregels per artikellid besproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand