202505522/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 in zaak nr. 24/9310 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft het college ambtshalve de adresgegevens van [appellante] in de basisregistratie personen (brp) gewijzigd.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Duinhouwer, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] stond met haar vier kinderen in de brp ingeschreven op het adres [locatie A] in Rotterdam. Na een melding van de politie over mogelijke uitkeringsfraude is het college een adresonderzoek gestart. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het college met het besluit van 19 maart 2024 [appellante] per 12 februari 2024 in de brp ingeschreven op het adres [locatie B] in Rotterdam.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in de melding van de politie in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien om een adresonderzoek te starten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat bij het college in redelijkheid gerede twijfel kon bestaan of [appellante] met haar vier kinderen aan de Oosterse Tuin woonde. Het was daarom aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij op dat adres woonde. Dit heeft zij onvoldoende gedaan, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het college [appellante] op [locatie B] heeft mogen inschrijven in de brp. Het college heeft in redelijkheid kunnen aannemen dat [appellante] op dit adres woonde. Het was daarom aan [appellante] om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit heeft zij niet gedaan, aldus de rechtbank.
Wettelijk kader
3. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het college in redelijkheid gerede twijfel kon bestaan over de vraag of zij met haar vier kinderen op [locatie A] woonde. Zij voert hiertoe aan dat zij vanwege ziekte met enige regelmaat met haar kinderen bij haar ex-partner verbleef op het adres [locatie B] en benadrukt daarbij de tijdelijke aard van deze situatie. Verder voert zij aan dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat er sprake was van eenzijdige zorg door haar ex-partner en omdat duidelijk was dat zij na de periode waarin zij behoefte had aan zorg zou terugkeren naar [locatie A]. Zij voert ten slotte aan dat zij vanaf 5 april 2023 structureel aan de [locatie A] verbleef en daar ook ambulante hulp ontving. [appellante] betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid kon aannemen dat zij op [locatie B] woonde. Zij voert hiertoe aan dat zij vanaf 5 april 2023 structureel op het adres [locatie A] verbleef en alleen af en toe op het adres [locatie B] kwam omdat haar kinderen daar verbleven.
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 6.6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog het volgende toe.
6. [appellante] heeft in hoger beroep erkend dat haar kinderen in de periode van belang bij haar ex-partner op het adres [locatie B] woonden en daar nog steeds wonen. Dat betekent dat de kinderen terecht zijn uitgeschreven van [locatie A] en ingeschreven op het adres [locatie B].
7. Voor zover [appellante] in hoger beroep betoogt dat zij vanaf april 2023 zelf wel structureel op het adres [locatie A] verbleef, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. Gelet op wat de rechtbank in 6.1 en 6.4 van de aangevallen uitspraak heeft opgesomd aan feiten en omstandigheden die op het tegendeel wijzen, is de enkele stelling dat zij daar ambulante hulp zou ontvangen onvoldoende.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
735-1202
BIJLAGE
Wet basisregistratie personen
Artikel 1.1
o. het woonadres:
1° het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
2° het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;
Artikel 2.20
1 Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
2 Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
3 Als datum van adreswijziging wordt opgenomen:
a. de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan;
b. de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend;
c. de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens.
4 De gewijzigde gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.