202402163/1/R2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth, gemeente Beekdaelen,
appellante,
en
de raad van de gemeente Tilburg,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Recropassage Spinder" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juli 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door G.L.J.G. Sperber, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de bouw van een zogenoemde recropassage vanaf de Stokhasseltlaan naar de Bos en Beemdweg in Tilburg mogelijk. Deze recropassage bestaat uit een ondergrondse natuurstrook en fietspad onder de Midden-Brabantweg (N261) en een kunstwerk: "Tilburgse Terugblik". Het plan regelt ook de landschappelijke inpassing welke nodig is voor de bouw van een nieuw 380 kV-station op de Spinder. De stichting is een belangenorganisatie en komt op voor (onder andere) de instandhouding van homo-ontmoetingsplaatsen. Zij is tegen het plan in beroep gekomen omdat zij vreest dat het plan maakt dat de homo-ontmoetingsplaats langs het Loonse Spinderspad verdwijnt.
Het beroep
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Nadelige gevolgen
4. De stichting betoogt dat de raad geen evenwichtige afweging heeft gemaakt bij de vaststelling van het plan omdat met de belangen van de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats geen rekening is gehouden. Door het plan verdwijnt volgens de stichting de enige homo-ontmoetingsplaats van Tilburg en moeten de bezoekers noodgedwongen uitwijken naar andere gebieden buiten de gemeente. De homo-ontmoetingsplaats bestaat al jaren en mag ook zo gebruikt worden en de raad had dit bij zijn afweging bij de vaststelling van plan moeten betrekken.
4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats. Voor zover de raad heeft kunnen nagaan is de homo-ontmoetingsplaats voornamelijk gelegen in het gebied waar het hoogspanningsstation is gepland. Dit gedeelte maakt echter geen deel uit van het plangebied maar wordt mogelijk gemaakt in het rijksinpassingsplan "Hoogspanningsstation Tilburg". Voor zover de homo-ontmoetingsplaats wel in het plangebied is gelegen stelt de raad zich op het standpunt dat planologisch gezien geen sprake is van verandering van de gebruiksmogelijkheden, aangezien het recreatieve medegebruik als homo-ontmoetingsplaats onder het vorige plan was toegestaan, en in het voorliggende plan nog steeds is toegestaan.
4.2. Op de zitting heeft de stichting nader toegelicht dat het gehele bos tussen het Loonse Spinderspad en de Baan achter de Plakken, tot het Spinderspad aan de linkerzijde en tot aan de Heideweg aan de rechterzijde fungeert als homo-ontmoetingsplaats. Het zuidelijke deel van het bos tussen het hoogspanningsstation en de Heideweg ligt in het plangebied. Enkel dit gedeelte van het bos en het gebruik als homo-ontmoetingsplaats op die plek is daarom relevant voor deze procedure.
4.3. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.
4.4. Het gebruik van een bos of park als homo-ontmoetingsplaats om elkaar te ontmoeten en om aldaar te recreëren, is niet in strijd met de bestemming en de daaraan ondergeschikte passieve recreatieve functies, zoals extensief recreatief medegebruik. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 13 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9528, onder 2.5.3. In de voorheen geldende bestemmingsplannen "Bedrijventerrein Spinder 2017" en "Lobelia-Spinder-Rugdijk" hadden de gronden de bestemming "Bos" en was extensief recreatief medegebruik toegestaan (artikel 5.1.1, onder j, respectievelijk artikel 8.1.1, onder i, van de planregels). In het voorliggende plan hebben de gronden de bestemming "Natuur" en op grond van artikel 3.1.1, onder i, van de planregels is extensief recreatief medegebruik eveneens toegestaan. Het plan tast het gebruik van de gronden als homo-ontmoetingsplaats dus niet aan. Dit gebruik was in de vorige plannen toegestaan en blijft eveneens toegestaan in het voorliggende plan. Het plan heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats.
4.5. Verder heeft de stichting op de zitting aangegeven dat in het landschappelijk inpassingsplan op pagina 28 staat vermeld dat de informele functie van een homo-ontmoetingsplaats niet combineerbaar is met natuurdoelen en toegang door recreanten dan ook ontmoedigd zal worden. Dit maakt echter niet dat het plan nadelige gevolgen heeft voor de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats. De passage waar de stichting naar verwijst betreft namelijk een (niet bindende) toelichting op het integraal schetsontwerp (paragraaf 7.1). Het landschapsplan waar in artikel 3.3.1, onder e, van de planregels naar wordt verwezen staat pas in hoofdstuk 8. Daarnaast regelt het landschappelijk inpassingsplan slechts de feitelijke inrichting van het gebied en stelt het geen beperkingen aan het planologisch toegestane gebruik. De raad heeft daaromtrent op de zitting aangegeven dat publiekrechtelijk gezien niet wordt gehandhaafd, omdat het gebruik als homo-ontmoetingsplaats is toegestaan.
Het betoog slaagt niet.
4.6. Op de zitting heeft de stichting nog aangegeven dat de bezoekers moeten uitwijken naar andere plekken vanwege het gedrag van de eigenaar van de gronden, Natuurmonumenten. Zij deelt namelijk boetes uit aan de bezoekers en sluit de betreffende gronden af. De Afdeling stelt echter vast dat de beperkingen die de stichting noemt, wat daarvan ook zij, geen gevolgen van het bestemmingsplan zijn, het plan verbiedt het door de stichting beoogde gebruik immers niet. Daarin kan dan ook geen reden worden gevonden voor vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan.
Gelijkheidsbeginsel
5. De stichting betoogt dat het plan in strijd is vastgesteld met het gelijkheidsbeginsel. Zij voert daarover aan dat door de parkeerplaats af te sluiten en tegelijkertijd het bos te kappen die een integraal onderdeel vormen van de homo-ontmoetingsplaats, terwijl een parkeerplaats en het bos die geen onderdeel daarvan uitmaken wel open kunnen blijven, zorgt voor ongelijke behandeling.
5.1. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen tast het plan het gebruik van de gronden als homo-ontmoetingsplaats niet aan en blijft dat gebruik toegestaan. Er is daarom geen reden om te oordelen dat de raad het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Grondrechten
6. De stichting betoogt dat het plan in strijd is met meerdere grondrechten. Door de verdwijning van de homo-ontmoetingsplaats kan het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in de zin van artikel 11 van het EVRM niet meer worden uitgeoefend.
6.1. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen tast het plan het gebruik van de gronden als homo-ontmoetingsplaats niet aan. Er is dan ook geen reden om te oordelen dat het plan inbreuk maakt op de door de stichting genoemde grondrechten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
723-1167