202502117/1/R2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 maart 2025 in zaak nr. 23/11733 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand.
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van zijn woning aan de [locatie] in Kaatsheuvel.
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, advocaat in Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.P. Bergmans en M. Hultermans, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] heeft werkzaamheden verricht om zijn woning te voorzien van een aanbouw en een dakopbouw. [appellant] woont daarnaast en heeft het college gevraagd de werkzaamheden aan de woning van [partij] te stoppen, omdat [partij] geen omgevingsvergunning heeft. Volgens [appellant] wordt de woning te groot en maakt dat inbreuk op zijn privacy. Een toezichthouder van de gemeente heeft geconstateerd dat een omgevingsvergunning vereist is voor de werkzaamheden. [partij] heeft deze vergunning vervolgens aangevraagd en het college heeft deze verleend. Hierbij heeft het college opgemerkt dat het bouwplan weliswaar in strijd is met de beheersverordening en de redelijke eisen van welstand, maar dat het de vergunning alsnog heeft verleend vanwege bijzondere omstandigheden. [partij] heeft namelijk voorafgaand aan de bouw bij de gemeente navraag gedaan of een omgevingsvergunning vereist was. Een medewerker van de gemeente heeft hem toen ten onrechte verteld dat voor deze werkzaamheden geen omgevingsvergunning vereist is.
De Afdeling sluit aan bij het oordeel van de rechtbank
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd heeft hij ook in beroep aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. Wat [appellant] heeft aangevoerd, is geen reden om te oordelen dat de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1, 6.2, 6.3 en 6.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat zij begrijpt dat het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor de aan- en uitbouw invloed heeft op de privacy die [appellant] ervaart en dat het gevoel overheerst dat de gevolgen van een verkeerde inschatting aan de kant van het college bij [appellant] terecht komen. Toch brengt dit niet met zich dat het college verplicht is om het belang van [appellant] zwaarder te laten wegen door de vergunning niet te verlenen of extra voorschriften aan de vergunning te verbinden. Het college heeft namelijk goed gemotiveerd dat de wijze waarop vanuit de aan- en uitbouw kan worden gekeken op de tuin van [appellant] ook mogelijk was op grond van het bestemmingsplan of vanuit een dakkapel die ter plaatse omgevingsvergunningvrij is toegestaan. Daarenboven was er in de situatie van voor de bouw ook feitelijk al zicht vanuit de eerste verdieping van de woning van [partij] op de tuin van [appellant]. Dit alles maakt dat niet geoordeeld kan worden dat het privacybelang van [appellant] in dit geval zodanig zwaar weegt, dat om die reden het college de gevraagde vergunning niet had mogen verlenen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
638-1212