ECLI:NL:RVS:2026:5030

ECLI:NL:RVS:2026:5030

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 202602159/2/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Bij besluit van 5 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam Sprangka gelast om te voldoen aan zes lasten onder aanzegging van dwangsommen op haar perceel aan de Baarlesebaan 3 in Alphen, gemeente Alphen-Chaam. Sprangka verricht agrarische activiteiten op het perceel Baarlesebaan 3 in Alphen. Het college heeft aan haar op 6 februari 2018 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van gebouwen en de oprichting van een vleeskalverenhouderij. Het college heeft aan Sprangka op 4 december 2023 een voornemen tot handhaving gestuurd. Op 9 oktober 2024 heeft een toezichthouder volgens het college geconstateerd dat eerder geconstateerde overtredingen niet zijn beëindigd. Het college heeft bij het besluit op bezwaar het besluit van 5 november 2024 met een gewijzigde motivering in stand gelaten en de last over het in goede staat houden van het buitenterrein verduidelijkt. Sprangka is het niet eens met het besluit op bezwaar en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak

202602159/2/R1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen:

Sprangka B.V., gevestigd in Goirle,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2024 heeft het college Sprangka gelast om te voldoen aan zes lasten onder aanzegging van dwangsommen op haar perceel aan de Baarlesebaan 3 in Alphen, gemeente Alphen-Chaam.

Bij besluit van 18 december 2025 heeft het college de aan het besluit verbonden begunstigingstermijnen en de last over de bodemverontreiniging gewijzigd.

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft het college naar aanleiding van bezwaren van Sprangka het besluit van 5 november 2024 en het besluit van 18 december 2025 met een gewijzigde motivering in stand gelaten en de last over het in goede staat houden van het buitenterrein verduidelijkt.

Tegen dit besluit heeft Sprangka beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant en de voorzieningenrechter van die rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank en haar voorzieningenrechter hebben het beroep en verzoek doorgestuurd naar de Afdeling en haar voorzieningenrechter ter behandeling daarvan.

Sprangka heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 21 augustus 2026, waar Sprangka, vertegenwoordigd door mr. L.W.M. Oor en K.M. Peters, beiden advocaat in Tilburg, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door Y.G.E. Weijns en M. Smolders, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb of een dergelijk besluit bekendgemaakt is, dan blijft op grond van artikel 4.5, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

Bij brief van 4 december 2023 heeft het college Sprangka op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen op zijn voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Niet bindend oordeel in bodemprocedure

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

3. Sprangka verricht agrarische activiteiten op het perceel Baarlesebaan 3 in Alphen. Het college heeft aan haar op 6 februari 2018 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van gebouwen en de oprichting van een vleeskalverenhouderij. Het gaat om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het college heeft aan Sprangka op 4 december 2023 een voornemen tot handhaving gestuurd. Op 9 oktober 2024 heeft een toezichthouder volgens het college geconstateerd dat eerder geconstateerde overtredingen niet zijn beëindigd. Daarom heeft het college bij het besluit van 5 november 2024 Sprangka zes verschillende lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 18 december 2025 heeft het college onder meer nieuwe begunstigingstermijnen gesteld en de last over bodemverontreiniging gewijzigd.

Het college heeft bij het besluit op bezwaar het besluit van 5 november 2024 met een gewijzigde motivering in stand gelaten en de last over het in goede staat houden van het buitenterrein verduidelijkt. Ook heeft het college bij het besluit op bezwaar het besluit van 18 december 2025 in stand gelaten. Ter motivering van het besluit op bezwaar dient het advies van 13 april 2026 van de bezwaarschriftencommissie.

Sprangka is het niet eens met het besluit op bezwaar en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bevoegdheid van de voorzieningenrechter

4. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 november 2024, zoals gewijzigd bij besluit van 18 december 2024, aan de zes lasten verschillende overtredingen ten grondslag gelegd. Het gaat wat betreft last 1 om artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, wat betreft last 2 om artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, en wat betreft last 3 om artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo, in samenhang met een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift. Last 4 is gebaseerd op overtreding van artikel 3.48 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 3.65 Activiteitenregeling milieubeheer, en last 5 op overtreding van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit. Aan last 6 is overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) ten grondslag gelegd.

Voor zover het besluit van 5 november 2024 betrekking heeft op de overtreding van artikel 13 van de Wbb, is op grond van artikel 8:6, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, de Afdeling bevoegd kennis te nemen van het beroep. Voor zover het besluit betrekking heeft op de andere overtredingen, is op grond van artikel 8.6, eerste lid, van de Awb de rechtbank in beginsel bevoegd kennis te nemen van het beroep. De voorzieningenrechter is uit de stukken gebleken dat in het handhavingsbesluit last 6 niet is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als één of meer van de andere lasten. Dat er een zekere causaliteit bestaat tussen verschillende feiten en omstandigheden is daarvoor onvoldoende. Op de zitting is ook niet aannemelijk geworden dat het bij de andere lasten gaat om dezelfde feiten als bij last 6. Het beroep tegen het besluit op bezwaar is daarom in zoverre splitsbaar. (Vergelijk de uitspraken van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458 en 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1065, waarin het ging om onsplitsbare beroepen).

De voorzieningenrechter verwacht daarom dat de Afdeling zich in dit geval in eerste en enige aanleg alleen bevoegd zal achten kennis te nemen van het beroep tegen het besluit op bezwaar, voor zover het last 6 betreft. Wat betreft de andere lasten gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de rechtbank bevoegd is. Het verzoek voor zover gericht tegen de lasten 1 tot en met 5 zal de voorzieningenrechter ter behandeling doorsturen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De voorzieningenrechter acht zich daarom in zoverre alleen bevoegd om kennis te nemen van het verzoek ten aanzien van het besluit op bezwaar wat betreft last 6.

Spoedeisend belang

5. Op de zitting heeft het college te kennen gegeven dat er nog geen dwangsommen zijn verbeurd. Sprangka heeft een spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening omdat zij onder druk van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 november 2024, zoals gewijzigd op 18 december 2025, handelingen moet verrichten om de verbeurte van dwangsommen te voorkomen.

Beoordeling verzoek

6. Sprangka heeft in 2023 een zaksloot gegraven die vanaf haar bedrijfsperceel afloopt naar een ten noordwesten daarvan gelegen bosperceel. In het verslag van de toezichthouder staat dat op 21 augustus 2023 visueel is geconstateerd dat water op de zaksloot wordt geloosd. In een rapport van OMWB van 24 oktober 2023 zijn de resultaten van inspecties en monsternemingen opgenomen. Geconstateerd is op de plaats waar het water uit de zaksloot op het bosperceel uitkomt diverse bomen dood of aangetast zijn. Uit monsterneming is gebleken dat het water in de zaksloot ter hoogte van het lozingspunt van afval- en percolaatwater, het water aan het eind van de zaksloot nabij de uitstroom op het bosperceel en de bodem op het deel van het bosperceel waar het water uit de zaksloot terechtkomt, verhoogde gehaltes ammonium, sulfaat en stikstof bevatten. In het rapport wordt geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de aantasting en sterfte van de bomen op het bosperceel het gevolg is van instromend verontreinigd afval- en/of percolaatwater, afkomstig van het bedrijfsterrein van Sprangka.

Het college heeft Sprangka vervolgens bij besluit van 5 november 2024 gelast om de geconstateerde overtreding van artikel 13 van de Wbb ongedaan te maken door binnen twee weken een plan van aanpak aan te leveren voor de sanering van de bodem en binnen acht weken na goedkeuring daarvan laten uitvoeren door een gecertificeerd bedrijf.

Niet in geschil is dat Sprangka eerst na het besluit van 5 november 2024 heeft kennisgenomen van een op verzoek van het college uitgebracht rapport van 18 april 2024. De voorzieningenrechter constateert dat dit rapport dateert van ruim een half jaar voordat het college de last onder dwangsom heeft opgelegd. In het aan dat rapport ten grondslag liggende onderzoek zijn op dezelfde plekken als in het onderzoek van het rapport van 2023 water- en bodemmonsters genomen. Er zijn opnieuw verhoogde concentraties van de stoffen aangetroffen. De aangetroffen concentraties in het water als in de bodem zijn echter beduidend lager dan de in augustus 2023 gemeten concentraties, zo wordt in het rapport geconcludeerd. Sprangka leidt hieruit af dat mogelijk, gezien het tijdsverloop sindsdien, ten tijde van het besluit van 5 november 2024 zich geen bodemverontreiniging meer voordeed.

Het college heeft bij besluit van 18 december 2025, een jaar na het handhavingsbesluit en anderhalf jaar na het rapport van 18 april 2024, het besluit van 5 november 2024 gewijzigd. Het college stelt zich in dat besluit op het standpunt dat uit de rapporten uit 2023 en 2024 duidelijk is gebleken dat er sprake is van bodemverontreiniging. De voorzieningenrechter constateert dat het college ondanks dat echter aanleiding heeft gezien om last 6 te wijzigen. Het college heeft in het besluit niet gemotiveerd waarom zij dat heeft gedaan. De last omvat nog steeds het opstellen van een plan van aanpak en de uitvoering van bodemsanering. Maar Sprangka kan verbeurte van dwangsommen voorkomen als zij in plaats daarvan met een rapportage van een bodemonderzoek door een gecertificeerd bedrijf aantoont dat er geen sprake (meer) is van een bodemverontreiniging. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat het college er kennelijk ook niet zonder meer van uitging dat de bodem van een deel van het bosperceel nog verontreinigd was. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het besluit op bezwaar onverkort in stand zal kunnen blijven. Daarbij komt nog dat adviesbureau MILON B.V. in opdracht van Sprangka een bodemonderzoek heeft verricht. In het daarvan opgemaakte rapport van 27 februari 2026 wordt geconcludeerd dat de macroparameters op het relevante deel van het bosperceel van gelijke hoogte zijn als op een referentieplek en dat de bodem zich weer heeft hersteld van de geloosde nutriënten. Dat dit rapport geen resultaten bevat van bemonstering op meer dan 20 cm onder maaiveld maakt niet dat er geen enkele betekenis aan dit rapport toekomt.

Het verzoek wordt toegewezen.

Conclusie en proceskosten

7. De voorzieningenrechter zal het besluit op bezwaar van 27 mei 2026 en het besluit van 5 november 2024, zoals gewijzigd bij besluit van 18 december 2025, schorsen voor zover het gaat om de opgelegde last onder dwangsom vanwege de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (last 6).

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek voor zover dat betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 27 mei 2026 wat betreft de opgelegde lasten onder dwangsom 1 tot en met 5;

II. treft de voorlopige voorziening dat het besluit op bezwaar van 27 mei 2026, zaaknummer 1143442, Z2026-00001315, D2026-00082586, en het besluit van 5 november 2024, kenmerk D2024-00195297, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 18 december 2025, kenmerk D2025-00296563, alle van het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam, is geschorst voor zover het gaat om de opgelegde last onder dwangsom vanwege de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (last 6);

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij Sprangka B.V. in verband met de behandeling het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan Sprangka B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Besselink

voorzieningenrechter

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026

163

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand