ECLI:NL:RVS:2026:5040

ECLI:NL:RVS:2026:5040

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 202601902/3/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Bij uitspraak van 10 juli 2026 in zaak nr. 202601902/2/A3, ECLI:NL:RVS:2026:4036, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2026 in zaak nr. 25/1652 geschorst en bepaald dat DNB geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van HRiF, totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd en DNB opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van HRiF. DNB is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. HRiF heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking. Omdat het verzoek van DNB niet binnen zes weken na de uitspraak op zitting kon worden behandeld, heeft de voorzieningenrechter op verzoek van DNB een ordemaatregel getroffen op 10 juli 2026.

Uitspraak

202601902/3/A3.

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, van:

De Nederlandsche Bank N.V. (DNB),

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2026 in zaak nr. 25/1652 in het geding tussen:

DNB

en

Stichting Human Rights in Finance EU (HRiF).

Procesverloop

Bij uitspraak van 10 juli 2026 in zaak nr. 202601902/2/A3, ECLI:NL:RVS:2026:4036, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2026 in zaak nr. 25/1652 geschorst en bepaald dat DNB geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van HRiF, totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.

Bij brieven van 13 juli 2026 en 1 augustus 2026 heeft HRiF verzocht de ordemaatregel te wijzigen dan wel op te heffen.

Partijen zijn uitgenodigd om op zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek tot wijziging van de ordemaatregel op een zitting behandeld op 19 augustus 2026, waar DNB, vertegenwoordigd door D. de Jonge en R.P.A. Kraaijeveld, bijgestaan door mr. C. de Rond, advocaat in Den Haag, en HRiF, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd en DNB opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van HRiF. DNB is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. HRiF heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking.

4. Omdat het verzoek van DNB niet binnen zes weken na de uitspraak op zitting kon worden behandeld, heeft de voorzieningenrechter op verzoek van DNB een ordemaatregel getroffen op 10 juli 2026. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat op korte termijn, tijdens een zitting, kan worden bezien of aanleiding bestaat de bij die uitspraak getroffen voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87 van de Awb op te heffen of te wijzigen.

5. Een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen in hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. Beoordeling daarvan zal in de bodemprocedure dienen plaats te vinden. Daarom zal de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van de hoger beroepen van DNB en HRiF een voorlopige voorziening moet worden getroffen, aan de hand van een belangenafweging worden beantwoord.

6. De voorzieningenrechter ziet, bij afweging van de belangen, geen aanleiding om de getroffen voorziening op te heffen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in ogenschouw de opdracht van de rechtbank voor DNB om in een nieuw besluit een nadere motivering te geven waarom sprake is van toezichtvertrouwelijke informatie. Of DNB gehouden is om het aanmerken van stukken als toezichtvertrouwelijke informatie verder te motiveren, is het punt dat in hoger beroep voorligt. De procedure in hoger beroep zou daarom geen praktische betekenis meer hebben als de rechtbankuitspraak vooruitlopend op een oordeel van de Afdeling wordt uitgevoerd, terwijl niet kan worden uitgesloten dat een uitgebreidere motivering afbreuk doet aan de belangen die de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beoogt te beschermen. Verder ziet de voorzieningenrechter geen zwaarwegende belangen aan de zijde van HRiF die nopen tot het opheffen van de getroffen voorziening. Op de zitting heeft HRiF in het kader van haar belangen gewezen op het algemene belang van de Wet open overheid voor de rechtsstaat en het respect voor de door de rechtbank gestelde opdracht. Uit wat HRiF heeft aangevoerd blijkt niet dat er ernstige gevolgen te vrezen zijn als de uitspraak in de bodemprocedure wordt afgewacht.

7. Gelet op de belangen van HRiF, afgewogen tegen het belang van DNB om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan haar geheimhoudingsplicht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Aan de getroffen voorziening is echter geen vervaldatum verbonden. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de getroffen voorziening te wijzigen, in die zin dat de schorsing doorloopt tot uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijzigt de bij de uitspraak van 10 juli 2026 in zaak nr. 20261902/2/A3 getroffen voorlopige voorziening in die zin dat de Nederlandsche Bank N.V. geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van Human Rights in Finance EU, totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzieningenrechter

w.g. Westerbaan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026

1050

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.D. Westerbaan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand