BRS.26.004131
ECLI:NL:RVS:2026:5052
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 juli 2026 in zaak nr. NL26.27168 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 31 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de minister een inreisverbod heeft uitgevaardigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste tot en met de vijfde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant betoogt in de zesde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2026 in stand blijven. Appellant heeft in beroep bij de rechtbank naar voren gebracht dat de minister ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft uitgevaardigd en de minister heeft in het verweerschrift in beroep aangegeven dat hij appellant daarin volgt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit voor zover dat ziet op het inreisverbod voor tien jaar vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat dit betekent dat het inreisverbod van twee jaar, dat in een eerdere procedure in rechte vast is komen te staan, weer herleeft. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het gehele besluit van 7 mei 2026 in stand gelaten. Appellant betoogt terecht dat het in stand laten van de rechtsgevolgen betrekking heeft op de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde deel daarvan, zie artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat betekent in dit geval dat met de instandlating van de rechtsgevolgen de rechtsgevolgen van het vernietigde inreisverbod in stand blijven, terwijl tussen partijen niet ter discussie staat dat dit inreisverbod voor tien jaar moet worden opgeheven. Gelet hierop, betoogt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2026 in stand blijven. De grief slaagt.
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2026 in stand blijven. Zij bevestigt de uitspraak voor het overige. Dat betekent dat het besluit voor zover de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft afgewezen in stand blijft. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 juli 2026 in zaak nr. NL26.27168, voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2026 in stand blijven;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026
897-1088