202402538/1/V3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 maart 2024 in zaak nr. NL23.3822 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.J.P. Cats, advocaat in Emmen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft de aan betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (b-grond) verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 9 april 2020, omdat hij op die datum een misdrijf heeft gepleegd. Betrokkene is daarom volgens de minister een gevaar voor de openbare orde.
2. De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of er achteraf bezien op het moment van verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nog een andere grond voor verlening als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000 van toepassing was, en dat het besluit van 11 januari 2023 daarom een motiveringsgebrek bevat. De minister stelt in zijn grief de vraag aan de orde of hij bij het vanwege openbare-orderedenen intrekken van een op basis van de b-grond verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd altijd ook moet beoordelen of op het moment van de verlening van die verblijfsvergunning artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (a-grond) van toepassing was. De beantwoording van deze vraag is echter niet nodig voor de oplossing van deze zaak. In dit geval had de minister namelijk de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook kunnen intrekken als deze op basis van de a-grond zou zijn verleend. Gebleken is namelijk dat in deze zaak is voldaan aan de voorwaarden om een op basis van de a-grond verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege openbare-orderedenen in te trekken. De minister heeft in zijn besluit uiteengezet dat betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en dat hij een gevaar vormt voor de gemeenschap (bijzonder ernstig misdrijf-criterium, zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, XXX, ECLI:EU:C:2023:542 en artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105d, tweede lid, onder b, van het Vb 2000). Daarbij wijst de minister terecht op het in dit geding onbestreden oordeel van de rechtbank dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verder heeft betrokkene niet betwist dat hij een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd.
2.1. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat de Afdeling onder 2 heeft overwogen, hoeft de door de rechtbank onbesproken beroepsgrond over de vraag of betrokkene in de voorliggende procedure gehoord had moeten worden over de a-grond, niet besproken te worden. Het beroep is alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 maart 2024 in zaak nr. NL23.3822;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
846-1086