202404490/1/V3.
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024 in zaak nr. NL23.28601 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit).
Bij brief van 31 maart 2023 heeft de staatssecretaris appellant meegedeeld dat hij per 7 maart 2023 vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn hogerberoepschrift uitsluitend over het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de SIS-signalering inzake terugkeer. Bij besluit van 27 oktober 2025 heeft de minister hangende het hoger beroep aan appellant meegedeeld dat de SIS-signalering is gewist, omdat het onderliggende terugkeerbesluit is opgeheven nadat appellant een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij het grondgebied van de Europese Unie op 11 september 2025 heeft verlaten. Wat appellant met zijn hoger beroep nastreeft, de verwijdering van zijn signalering uit het SIS, heeft hij daarom bereikt. Appellant heeft als gevolg daarvan onvoldoende belang bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
1.1. De vraag of de minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423. Ook is de bestuursrechter niet gehouden uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
1.2. Vervolgens moet worden bezien of de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, reden zijn om de minister de proceskosten te laten vergoeden. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan appellant tegemoet is gekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen. Zie de uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855. Omdat de minister de SIS-signalering heeft gewist vanwege de terugkeer van appellant en niet omdat deze onrechtmatig is, ziet de Afdeling geen grond om te spreken van een tegemoetkoming. Daarom bestaat geen aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026
347-1111