BRS.26.004143
ECLI:NL:RVS:2026:5064
Datum uitspraak: 1 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 juli 2026 in zaak nr. NL25.36072 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen eigen beoordeling heeft gemaakt van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft met een geldschieter in India wegens achterstallige betalingen op een lening. De Afdeling is van oordeel dat een indringendere toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet tot een andere uitkomst leidt in deze zaak.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat al daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellant verder heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026
1048