202601938/2/A2.
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
Stichting Landelijke Commissie Gedragscode Internationale Student Hoger Onderwijs (LCG),
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 mei 2026 in zaak nr. 24/6674 in het geding tussen:
Habeo+ Hogeschool B.V. (Habeo+)
en
LCG.
Procesverloop
Bij brief van 6 juni 2024 heeft LCG Avans Hogeschool B.V. (Avans+), nu Habeo+, met ingang van 15 juni 2024 voor ten minste twee jaar verwijderd uit het register van de Gedragscode Internationale student hoger onderwijs.
Hiertegen heeft Avans+ op 15 juli 2024 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 1 augustus 2024 heeft LCG Avans+ medegedeeld dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is en dat het bezwaar daarom niet inhoudelijk wordt behandeld.
Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft de rechtbank het door Habeo+ daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd en LCG opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft LCG hoger beroep ingesteld en de de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Habeo+ heeft een reactie op het verzoek ingediend.
Overwegingen
1. Uitgangspunt is dat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft (artikel 6:16 van de Awb, gelezen samenhang met artikel 6:24 van die wet). Dit betekent dat in beginsel uitvoering moet worden gegeven aan een uitspraak van de rechtbank, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld.
2. In dit geval strekt de uitspraak van de rechtbank niet verder dan dat LCG met inachtneming van die uitspraak een inhoudelijke beslissing op bezwaar neemt. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt en vergt van LCG weliswaar enige, maar geen onevenredige inspanning. Op grond van artikel 6.19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, wordt het hoger beroep geacht mede tegen die nieuwe beslissing te zijn gericht. Gelet hierop en gezien de belangen van Habeo+ bij een voortvarende besluitvorming, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
4. LCG moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt Stichting Landelijke Commissie Gedragscode Internationale Student Hoger Onderwijs tot vergoeding van bij Habeo+ Hogeschool B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026
284