202601639/1/A2.
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats]
appellante,
en
het College van beroep voor de examens van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 23 februari 2026 heeft de examencommissie van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het verzoek van [appellante] om voor een aantal cursussen binnen de door haar gevolgde opleiding gebruik te mogen maken van een alternatieve toetsvorm toegewezen, in die zin dat, in overleg met de opleiding over de uitwerking ervan, voor de cursussen gebruik kan worden gemaakt van een mondelinge toetsvorm.
Bij beslissing van 21 april 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2026, waar [appellante], en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders, J. Kerstens, M. van Bussel en C. Monsanto, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. [appellante] volgt de Associate Degree Educatief Professional Beroepsonderwijs. Deze associate degree-opleiding is een tweejarige hbo-opleiding die in samenwerking met het mbo en werkveld wordt ontwikkeld. De Associate Degree leidt educatieve professionals op die lessen verzorgen, waarbij de eindverantwoordelijkheid daarvoor bij de docent ligt en de educatief professional instructie en begeleiding geeft aan een groep leerlingen. [appellante] volgt het uitstroomprofiel Burgerschap, behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer. Met dit diploma kan zij doorstromen naar het derde jaar van de hbo-bachelor Lerarenopleiding Maatschappijleer.
Alternatieve toetsvorm
3. Omdat zij wegens haar medische omstandigheden cognitief en fysiek beperkt belastbaar is, heeft [appellante] de examencommissie om een alternatieve toetsvorm verzocht voor de afronding van de cursussen MAADER01X (Democratie en Rechtstaat), MAAPOC01X (Politicologie), MAAEUU02X (Europese Unie) en MAAIN03X (Internationale betrekkingen II), die allemaal een schriftelijk tentamen als toetsvorm hebben. De examencommissie is haar daarin tegemoetgekomen door een in overleg met de opleiding nader te bepalen mondelinge toetsvorm te bieden. De opleiding heeft gekozen voor een mondelinge toetsvorm per vak, in twee delen af te nemen. [appellante] heeft administratief beroep ingesteld, omdat die toetsvorm, gezien haar medische omstandigheden, volgens haar geen doeltreffend alternatief is, omdat deze delen elk langer duren dan haar maximale belastbaarheid van vijftien tot twintig minuten.
Administratief beroep
4. Het CBE heeft overwogen dat de examencommissie haar beslissing zorgvuldig heeft voorbereid, door advies in te winnen van de studentendecaan, informatie in te winnen bij de opleiding en te spreken met [appellante]. Ook heeft de examencommissie geen onjuiste maatstaf gehanteerd, aangezien met verslagen of versnipperde mondelinge toetsing van kleine hoeveelheden studiestof (per hoofdstuk) onvoldoende kan worden getoetst of aan de leerdoelen is voldaan en of kennis is onthouden, kan worden gereproduceerd en toegepast. Zij heeft daarbij voldoende rekening gehouden met de beperkingen van [appellante]. Van belang is dat de examencommissie het eindniveau van de opleiding moet borgen. Daarbij komt dat vanuit de opleiding kan worden doorgestroomd naar de bacheloropleiding. Dit is niet in strijd met artikel 7.12 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw).
Beroep
5. [appellante] betoogt dat mondelinge toetsing per vak in twee delen geen doeltreffende aanpassing is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz), omdat deze toetsvorm haar medisch vastgestelde belastbaarheidsgrens van vijftien tot twintig minuten overschrijdt. Het CBE had acht moeten slaan op het advies van de studentendecaan om een alternatieve toetsvorm te bieden die niet (hoofdzakelijk) is gebaseerd op het opnemen of memoriseren van leerstof. Zij betoogt verder dat het CBE ten onrechte vasthoudt aan die toetsvorm, aangezien andere en doeltreffendere mogelijkheden bestaan om te toetsen of zij over de benodigde kennis beschikt, waarmee wel rekening wordt gehouden met haar medische omstandigheden. Er valt overigens niet in te zien waarom het voor andere uitstroomprofielen binnen de opleiding wel mogelijk is om bijvoorbeeld met portfoliotoetsing te volstaan, zonder dat de toetsing van parate kennis daarbij zo wordt benadrukt. Ten slotte betoogt [appellante] dat het vasthouden van het CBE hieraan niet is gebaseerd op de Onderwijs- en Examenregeling (OER), waardoor het op grond hiervan niet mag afwijken van verplichtingen uit de Wgbh/cz.
Wgbh/cz
6. De mondelinge toetsvorm in twee delen per vak is niet in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wgbh/cz, omdat de uitzondering uit artikel 3, tweede lid, van die wet zich voordoet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie moet waarborgen dat iedere student die een opleiding afrondt, ook daadwerkelijk voldoet aan de eindtermen daarvan. Op grond van artikel 7.12, tweede lid, van de Whw, moet zij dit op objectieve en deskundige wijze vaststellen, voordat tot afgifte van een diploma kan worden overgegaan. Dit is een legitiem doel in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Wgbh/cz. Anders dan [appellante] meent komt aan het advies van de studentendecaan over de situatie van [appellante] geen doorslaggevend gewicht toe.
7. Ook is de mondelinge toetsvorm in twee delen passend en noodzakelijk in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Wgbh/cz. Met het CBE is de Afdeling van oordeel dat de examencommissie zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aan de hand van de door [appellante] voorgestelde alternatieve toetsvormen onvoldoende kan worden getoetst of zij de nodige kennis heeft onthouden, kan reproduceren en kan toepassen. Het heeft daarbij mogen meewegen dat de toetsing van kennis over het grotere geheel vereist is, zodat bijvoorbeeld kan worden nagegaan of zij relevante dwarsverbanden weet te leggen. Deze (parate) kennis is vereist om (delen van) maatschappijlessen te kunnen verzorgen, waartoe zij wordt opgeleid. Zo heeft het CBE op zitting toegelicht dat het uitstroomprofiel Burgerschap in overwegende mate op kennis is georiënteerd, omdat afgestudeerde studenten in staat moeten zijn om die kennis spontaan in de klas aan leerlingen over te dragen. De hieraan gerelateerde leerdoelen zijn daarnaast per vak geëxpliciteerd in de cursusbeschrijvingen en zijn onderdeel van de eindtermen, zoals die zijn opgenomen in de Hogeschoolgids. Dat elk uitstroomprofiel de toetsing van de vakken op een eigen manier invult, is niet opmerkelijk en er is ook geen aanwijzing dat andere toetsvormen binnen het uitstroomprofiel van [appellante] per definitie passend zijn. Zoals het CBE ter zitting heeft toegelicht, verlangt elk uitstroomprofiel andere vaardigheden van studenten. Daarbij komt dat het CBE op zitting heeft uitgelegd dat de binnen dit uitstroomprofiel vereiste kennis en vaardigheden zorgvuldig en uitdrukkelijk zijn afgestemd op het niveau dat van een Associate Degree wordt verlangd, zijnde een hbo-graad corresponderend met niveau 5 van het Europees Kwalificatieraamwerk.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. [appellante] heeft ook verzocht om schadevergoeding. Uit de ongegrondverklaring van het beroep volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom wijst de Afdeling het verzoek af. Evenmin bestaat aanleiding om een voorlopige voorziening, zoals door [appellante] verzocht, te treffen.
9. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026
284-1197
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
Artikel 2
1. Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene, tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen.
[…].
Artikel 3
[…].
2. Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.12
[…].
2. De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad als bedoeld in artikel 7.10a.