ECLI:NL:RVS:2026:5100

ECLI:NL:RVS:2026:5100

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 202406294/1/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 december 2022, aangevuld op 20 juni 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Uitspraak

202406294/1/V2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 oktober 2024 in zaak nr. NL22.25858 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2022, aangevuld op 20 juni 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 4 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Saakjan, advocaat in Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juni 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.A. Wildeboer en mr. P.P. Zweedijk, en betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen. Verder is P. Berry als tolk verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Betrokkene heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Dit is zijn tweede asielaanvraag. Betrokkene heeft aan zowel zijn eerste als aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Daarnaast heeft betrokkene in zijn opvolgende aanvraag als nieuw asielmotief aangevoerd dat hij, na zijn eerste asielprocedure, in Duitsland het slachtoffer is geworden van mensenhandel.

1.1. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van betrokkene afgewezen bij besluit van 16 december 2022. Hij acht geloofwaardig dat betrokkene het slachtoffer is geworden van mensenhandel in Duitsland, maar stelt zich op het standpunt dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg daarvan heeft te vrezen voor ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. Daarnaast is betrokkene er volgens de minister niet in geslaagd om zijn gestelde homoseksuele gerichtheid alsnog aannemelijk te maken.

De uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de minister bij brief van 8 december 2023 gevraagd of de door betrokkene ingeroepen uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4346, over het risico op represailles van mensenhandelaren in Nigeria, aanleiding geeft om het besluit in te trekken. In reactie daarop heeft de minister de rechtbank verzocht om een bestuurlijke lus toe te passen (artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen. Vervolgens heeft de minister het aanvullend besluit van 20 juni 2024 genomen. Daarin is hij bij zijn standpunt gebleven dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij of zijn familie heeft te vrezen voor mensenhandelaren in Nigeria.

2.1. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van betrokkene tegen het besluit en het aanvullend besluit gegrond verklaard. Zij heeft, samengevat, overwogen dat de minister zijn besluitvorming onzorgvuldig heeft verricht. Volgens de rechtbank kan de gestelde seksuele geaardheid niet langer ongeloofwaardig worden geacht en leidt dit, gelet op de positie van homoseksuelen in Nigeria, tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van betrokkene ten onrechte heeft afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene zijn vrees voor de mensenhandelaren van wie hij al eerder het slachtoffer is geworden, niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de rechtbank is het aannemelijk dat betrokkene bij terugkeer naar Nigeria vanwege mensenhandel een zodanig groot risico op ernstige schade loopt, dat het handhaven of opleggen van een terugkeerbesluit in strijd is met het verbod van refoulement. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat betrokkene op grond van beide asielmotieven recht heeft op internationale bescherming. Zij heeft zelf in de zaak voorzien en de minister opgedragen om betrokkene een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

Risico op ernstige schade vanwege mensenhandel

3. De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade wegens mensenhandel.

3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996, onder 4.1 tot en met 4.2.2, moet de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van vreemdelingen die het slachtoffer zijn van Nigeriaanse mensenhandelaren, een risicoanalyse maken zoals is voorgeschreven in de Country Guidance Nigeria 2021, waarbij hij onder andere de daar beschreven risicobeïnvloedende factoren betrekt.

3.2. De minister heeft in zijn nader stuk van 29 mei 2026 en ter zitting erkend dat de risicobeoordeling die hij heeft gemaakt in de besluiten van 16 december 2022 en 20 juni 2024, is achterhaald door de uitspraak van de Afdeling 7 mei 2025. De minister heeft bij zijn risicobeoordeling namelijk niet de risicobeïnvloedende factoren uit de Country Guidance Nigeria 2021 betrokken, waaronder het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren. Ook heeft de minister op de zitting bij de Afdeling verklaard dat hij betrokkene niet langer tegenwerpt dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de hoogte van zijn schuld aan de mensenhandelaren. Volgens de minister moet wat betreft de risicobeoordeling van de vrees voor de mensenhandelaren daarom worden uitgegaan van de motivering in het nader stuk van 29 mei 2026.

3.3. De motivering die de minister heeft gegeven in het nader stuk van 29 mei 2026 heeft hij pas in hoger beroep aangevoerd, zodat de rechtbank die niet bij haar oordeel heeft kunnen betrekken. Wat daarvan zij, de rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij het niet aannemelijk acht dat de mensenhandelaren betrokkene in Nigeria zullen vinden. De minister heeft immers geloofwaardig geacht dat betrokkene herhaaldelijk slachtoffer is geworden van dezelfde mensenhandelaren en bekend is dat mensenhandelnetwerken vanuit Nigeria onderling zeer verbonden zijn van het begin tot het eind van de route, aldus de rechtbank. Het in het nader stuk ingenomen standpunt dat uit de verklaringen van betrokkene niet valt af te leiden dat er sprake is van een netwerk van mensenhandelaren dat in Nigeria actief is, gaat aan deze overwegingen voorbij. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank alleen al hierom terecht heeft overwogen dat de motivering in de besluiten van 16 december 2022 en 20 juni 2024 over het refoulementsrisico onvoldoende draagkrachtig is om de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag op te baseren.

3.4. De grief faalt alleen al hierom. De betogen van de minister over dat de rechtbank haar oordeel over de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde seksuele geaardheid van betrokkene heeft laten doorwerken in haar oordeel over de beoordeling van het refoulementrisico, over de kenschets van het gehoor als verhoor en het terzijde schuiven van de verklaringen van betrokkene over de hoogte van de schuld en de precaire bewijspositie van betrokkene, hoeven daarom niet besproken te worden.

Zelf voorzien

4. De vijfde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister betrokkene een verblijfsvergunning asiel moet verlenen. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien, omdat zij het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. De minister heeft ter zitting bij de Afdeling benadrukt dat zijn hoger beroep niet is gericht tegen de bevoegdheid van de rechter om in de zaak te voorzien, maar tegen de toepassing van die bevoegdheid in dit specifieke geval.

4.1. Uit de bespreking van de vierde grief blijkt dat de rechtbank het beroep alleen al terecht gegrond heeft verklaard omdat de minister geen deugdelijke refoulementsbeoordeling heeft verricht. Het betoog dat de rechtbank niet terecht in de zaak heeft voorzien omdat zij het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard, slaagt daarom niet.

4.2. De grief faalt.

Conclusie

5. Uit het falen van de vierde en vijfde grieven volgt dat de rechtbank in dit geval terecht aanleiding heeft gezien om zelf in de zaak te voorzien door de minister op te dragen betrokkene een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond van het asielmotief mensenhandel. De vraag of de rechtbank hiernaast terecht aanleiding heeft gezien om ook op basis van het asielmotief seksuele geaardheid een verblijfsvergunning te verlenen, behoeft daarom op dit moment geen beantwoording. Het is dus niet nodig om de tegen dit oordeel gerichte grieven van de minister te bespreken. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Lagaaij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026

936-1113

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.G. Sevenster
  • mr. J.M. Willems
  • mr. M.J.M. Ristra-Peeters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand