202301656/1/V1.
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 februari 2023 in zaken nrs. NL22.22825 en NL22.22826 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkenen hebben beroepen (samenhangende beroepen) ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 16 februari 2023 heeft de rechtbank die samenhangende beroepen gegrond verklaard, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen om alsnog besluiten te nemen, een dwangsom opgelegd en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.255,50.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door K. Mohasselzadeh, advocaat in Voorburg, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft bij besluiten van 15 juni 2023 de aanvragen van betrokkenen ingewilligd.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het gaat in deze uitspraak alleen over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, specifiek de wegingsfactor, voor het instellen van de samenhangende beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De minister heeft zijn eerste grief die gaat over het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn op grond van WBV 2022/22 laten vervallen.
2. De rechtbank heeft de door de minister te vergoeden proceskosten in verband met de behandeling van de samenhangende beroepen van betrokkenen vastgesteld op € 1.255,50. Daarbij heeft de rechtbank 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van de reactie van 1 december 2022 met wegingsfactor 1. De minister bestrijdt de door de rechtbank toegekende punten niet.
3. De minister voert in zijn tweede grief terecht aan dat de rechtbank bij de vaststelling van de te vergoeden proceskosten voor het instellen van de samenhangende beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte wegingsfactor 1 ‘gemiddeld’ heeft gehanteerd. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters past de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 ‘licht’ toe als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 24 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, onder 2.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij met toepassing van wegingsfactor 1 de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.255,50. Dit moet, met toepassing van wegingsfactor 0,5, een bedrag van € 700,50 zijn. De Afdeling zal de minister alsnog tot vergoeding van dat bedrag veroordelen. De minister hoeft de proceskosten in hoger beroep niet te vergoeden. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 februari 2023 in zaken nrs. NL22.22825 en NL22.22826, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.255,50;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van de samenhangende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot een bedrag van € 700,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026
966